Joris Tulkens

Fragment: de macht van het getal

Het verhaal der verhalen

Esse non est percipi sed narrari

Een van de irritantste problemen in de filosofie is de vraag of de boom die in het midden van het Braziliaanse oerwoud staat en nooit door enig denkend wezen is waargenomen, of die boom ook werkelijk bestaat. Toen ik in de jaren zestig aan de Sorbonne studeerde, was die vraag meermaals aanleiding tot heftige discussies en scheldpartijen onder mijn medestudenten.

De verdedigers van de arme boom hielden koppig vol dat hij hoe dan ook bestond, ongeacht het feit of hij door iemand werd waargenomen. Nadeel van die stelling was dat ze alleen bewezen kon worden door een excursie ter plekke. Veel van mij ‘realistische’ vrienden hebben toen ook plannen gemaakt om na lange nachten van bier en beneveling het eerste vliegtuig naar Brazilië te nemen.

De tegenstanders van hun kant beweerden dat zulke excursie hun stelling precies kracht bijzette. Als alleen waarneming ter plekke de boom van de ondergang kon redden, dan was daarmee onomstotelijk bewezen dat er zonder waarneming geen bestaan was. Moedig trotseerden ze dan het hoongelach van de realisten, die plastisch beschreven hoe het bestaan van de boom aan- en uitfloepte, naargelang hij door waarnemers werd gezien of niet gezien. Uiteindelijk dreef hen dat naar de stelling van de Engelse bisschop Berkeley, volgens wie de boom alleszins voortdurend door God werd waargenomen, aan welke waarneming hij een stabiel bestaan ontleende.

In mei ’68 bleken studenten-arbeiders evenwel geen interesse meer te hebben voor Braziliaanse spookbomen. De hele kwestie zakte weg achter de horizon van de nieuwe tijd die nadien toch niet zo nieuw bleek.

Tot vorig jaar.

Toen kwam de affaire me weer helder voor de geest ter gelegenheid van een ingrijpende ervaring in Portugal. Ingrijpend om verschillende redenen. In de eerste plaats ging een oude droom van mij – het schrijven van het definitieve verhaal – er op definitieve wijze door in vervulling. Tot dan toe was die droom een speelse en ongrijpbare utopie geweest, maar door mijn Portugese avontuur veranderde hij in grimmig, mij voor de rest van mijn leven achtervolgend fatum.

Ik bezocht Portugal in juni ’82 in opdracht van Le Monde. Ik moest er nagaan wat de nieuwe democratische krachten van de mooie idealen van de Anjerrevolutie hadden terechtgebracht.

Zo was ik op een regenachtige avond verzeild geraakt in een visserscafeetje van Lourinho, een klein gat aan de Atlantische kust, ten noorden van Lissabon. Veel lawaai, een oude juke-box, een schreeuwerig t.v.-toestel waarop een soapserie draaide, gedubd in het Portugees, begeleid door Amerikaans gelach.
Voor de couleur locale had ik een biko besteld, een koffie met veel bezinksel, vergezeld van een zoeterig maar verraderlijk drankje, dat alles voor een aalmoes. Het was de kennelijke bedoeling van de patrão me zo gauw mogelijk stomdronken te krijgen, want terwijl hij met één oog naar het televisiescherm keek, volgde hij met het andere nauwgezet de hoeveelheid vloeistof in mijn glas. Zodra er enige ruimte was om bij te vullen, repte hij zich mijn kant op, de fles in de aanslag. Elke keer werd zijn grijnslach wat breder, wat me telkens een ongewild panoramisch zicht bezorgde op zijn rotte, afgebroken tanden. Aanvankelijk contesteerde ik zijn vrijgevigheid nog welgemeend, later beleefdheidshalve, ten slotte alleen nog pro forma.
Mijn eigenlijke bezigheid bestond in het verbeteren van de notities die ik tijdens de dag had gemaakt. Ik ben namelijk een karakterloos man en kan me voor dat vervelende werk niet tot de eenzaamheid van een hotelkamer veroordelen. Ik gun mezelf ten minste de kans om afgeleid te worden – en ik vervloek me achteraf als die kans ook werkelijkheid wordt.

Op een gegeven moment voelde ik vanuit het uiterste hoekje van het café, vlak naast de juke-box, een duidelijk interesse voor mijn bezigheden. Ik liet mijn blik langs de muziekkast glijden en zo verder naar de buitendeur, net vlug genoeg om een ongeïnteresseerde indruk te maken, maar niet zo vlug dat ik de donkere man niet bemerkte die me met strakke blik fixeerde. Toen mijn ogen de weg terug aflegden, knikte hij voorzichtig. Tot mijn verbazing knikte ik terug.

Daarop trok de man zijn magere lichaam overeind en hij bewoog zich met zwalkende zeemansstap in mijn richting. Hij droeg een smerige, bruine broek, een zwarte vissersjas, stijf van het zout, en een gebreide muts. Zijn zwarte ringbaard en zijn fanatieke blik maakten hem tot het evenbeeld van Gregory Peck bij diens meesterlijke vertolking van Ahab, de geobsedeerde kapitein uit Melvilles Moby Dick. De gelijkenis was zo opvallend dat ik niet eens verbaasd was toen ik ook het opvallende geluid van zijn stappen hoorde: het slepend schuren van de linkervoet, afgewisseld door het sinistere getok van zijn rechter. De man beschikte slechts over één gezond been en wat ik voor een doorgewinterde zeemanspas had gehouden, was niets anders dan het amechtige gestuntel van een hinkepoot.

De man bleef voor mijn tafel staan, schraapte zijn keel en vroeg met een bescheiden, helemaal niet bij zijn ruige verschijning passend stemgeluid: ‘You, writer?’ Met zijn lege glas in zijn hand wees hij naar mijn papieren.

‘Yes, eh, no… journalist.’

Hij reageerde met het ontbloten van zijn boventanden, ongetwijfeld een poging tot een hartelijke glimlach.

‘Ah… newspaper!’

Bij wijze van test schoof hij de andere stoel van mijn tafel achteruit en toen ik niet reageerde, ging hij er wijdbeens op zitten.

‘You write… what?’

‘Oh, eh… stories.’

‘What stories?’

‘Stories about everything, Portugal, politics, you, me… stories about life.’

‘Stories about life… that’s good, that’s very good!’

Een dronkemansgesprek lag in het verschiet, maar eigenlijk kon dat mij niet schelen: ik had mijn gezochte verstrooiing gevonden.

Plotseling boog de man zich vertrouwelijk voorover en hij fluisterde: ‘You want story? I know good story!’

‘Tell me!’

‘No, it’s very special story. You must follow me. I cannot tell you.’

Dat leek verdacht. Om tijd te winnen wenkte ik de patrão. Die haastte zich opgewekt naar mijn glas en vulde het tot aan de rand. Hij maakte geen aanstalten om ook Gragory Peck te bedienen en dus wees ik ostentatief naar diens glas. Met klaarblijkelijke tegenzin goot hij het halfvol. Daarbij zei hij, de ogen strak op de tafel gericht: ‘Cuidado, senhor… voorzichtig, senhor.’

Ik keek hem aan in de hoop verduidelijking te krijgen, maar hij ging zo onverstoord door met zijn werk dat ik dacht hem verkeerd begrepen te hebben. De vermeende kapitein van zijn kant knikte dankbaar terwijl hij aan zijn glas nipte.

‘What story?’ probeerde ik weer.

‘I cannot tell you. You follow!’

Toen ik onwillig het hoofd schudde, lichtte de man een tip van de sluier. Hij vertelde me over een oude vrouw die een verhaal kende waarin alle andere verhalen samenkwamen, het verhaal van iedereen en van de hele werkelijkheid. Wie dat verhaal kende, werd meester van de werkelijkheid, want de werkelijkheid was niets anders dan een verhaal dat door God wordt verteld. Ik zou pas een echte schrijver zijn als ik dat verhaal kende.

Op het eerste gezicht leek zijn uiteenzetting een gemoderniseerde versie van de predestinatieleer, maar het vooruitzicht een verhaal te horen waarin alle andere verhalen samenkwamen, maakte mijn oude droom wakker. Mijn neutrale, journalistieke nieuwsgierigheid veranderde langzamerhand in overholen interesse.

‘You know the story?’

‘No, sir, no.’

‘Why not?’

‘I think I forgot, sir.’

Daarop volgde een ingewikkelde uitleg over het feit dat het verhaal erg lang was, dat men zeer aandachtig moest luisteren en vooral dat men het helemaal moest uithoren, zoniet zou men het verhaal vergeten en in grote ellende terechtkomen. Ik glimlachte en informeerde naar de prijs. Even schitterden zijn ogen.

‘Mil escudos,’ zei hij half vragend, half meedelend.

Plichtmatig ging ik over op ‘quinhentos escudos’ en we verenigden ons op ‘oitocentos escudos’. Ik gaf hem de helft en we vertrokken.

Het was een natte en donkere nacht en de tocht, die een vol uur duurde, leidde ons langs een rotsig pad tot ver buiten het dorp. Mijn gids sprak geen woord. De hele tijd ging zijn borst zwoegend op en neer, ongetwijfeld een gevolg van zijn handicap. Toen we eindelijk een laag, alleenstaand huisje bereikten, hoorde ik in de verte de zee tegen de rotsen beuken.

De kapitein klopte aan, wachtte even en ging binnen. Ik volgde. Het hele huis bleek uit één kamer te bestaan. Er was ook maar één lichtbron, een petroleumlamp op een laag tafeltje. Ze verspreidde een onzeker licht en een vage benzinegeur. Naast het tafeltje, in het halfduister, een vrouw van wie ik de leeftijd niet kon schatten. Was ze twintig? Tachtig? Tweehonderd?

Mijn gezel overlegde met haar en ik zag hem de vierhonderd escudo’s in haar schoot leggen. Daarna richtte hij zich tot mij voor de overige vierhonderd. Toen hij die op zak had gestoken had, verliet hij het huis, niet zonder mij een raadselachtige opmerking toe te voegen: ‘I wait… outside. My leg! Don’t forget!’

Ik negeerde de onbegrijpelijke opmerking en probeerde een duidelijker beeld van de vrouw te krijgen. Dat lukte niet, omdat ze zich, telkens als de pertroleumlamp oplichtte, wat verder in de kamer leek terug te trekken. Ik wachtte een vijftal minuten in eerbiedige stilte en net toen ik begon te vrezen dat ik flink in de luren was gelegd, hoorde ik haar heldere stem, de stem van een jong meisje: ‘U wilt het verhaal horen? U bent niet bang? U moet mij beloven het hele verhaal te aanhoren, anders vindt u de weg niet meer terug.’

Ik knikte en ging op de vloer zitten, mijn rug gesteund tegen een van de buitenmuren. De vrouw begon op monotone wijze te vertellen.

‘Er was eens een man die in een vreemd land een opdracht te vervullen had. Op een avond zat hij in een afspanning te drinken, toen een inboorling hem aansprak en vroeg of hij een uitzonderlijk verhaal wilde horen, een verhaal waarin alle andere verhalen samenkwamen. Toen de man dat bevestigde, bracht de inboorling hem naar een oude vrouw. Die drukte hem op het hart dat hij het hele verhaal moest horen, zoniet zou hem een groot ongeluk overkomen. De man ging akkoord en de vrouw begon te vertellen. Ze vertelde dat er eens een man was die in een vreemd land een opdracht te vervullen had. Op een avond zat hij in een afspanning te drinken, toen een inboorling hem aanspraak en vroeg of hij een uitzonderlijk verhaal wilde horen…’

En de vrouw vertelde het hele verhaal opnieuw en opnieuw, telkens opnieuw. Mijn gedachten gleden langzamerhand weg van haar eindeloze gemompel. Wat had ik spijt van mijn achthonderd escudo’s. En wat was ik beschaamd dat ik mij als doorgewinterde rot in het vak zo had laten strikken. Toen de vrouw het verhaal voor de tiende keer reciteerde, kwam ook nog mijn vertrouwde rugpijn opzetten, zodat mijn irritatie met de minuut toenam. Maar ik had nu eenmaal beloofd het einde van het verhaal af te wachten en dus bleef ik geduld oefenen.

Bij God, ik zweer dat ik het twee volle uren uithield, denkend aan alles waaraan een mens in vervelende omstandigheden maar denken kan: het weer, de laatste vrouw in bed, de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, de boom van Berkeley in het Braziliaanse oerwoud. En af en toe keerde ik naar de werkelijkheid terug om het verhaal te beluisteren.

‘…Toen de man dat bevestigde, bracht de inboorling hem naar een oude vrouw. Die drukte hem op het hart dat hij het hele verhaal moest horen, zoniet zou hem een groot ongeluk overkomen. De man ging akkoord en de vrouw begon te vertellen. Ze vertelde…’

Ik beken dat ik telkens weer met enige spanning uitkeek of de vrouw wel opnieuw zou beginnen, maar dat deed ze inderdaad, met de onstuitbaarheid van een perpetuum mobile.

Het moet bij de tweehonderdste herneming zijn geweest dat ik de vrouw nogal bars onderbrak: ‘Is het dat? Is dat het verhaal der verhalen? Moest ik daarvoor achthonderd escudo’s neertellen? Wat is dit voor een gekkenspel?’

De oude vrouw stopte met reciteren en boog zich voorover tot binnen de lichtkring. Ze leek zo oud en geduldig als de tijd. Op rustige toon verzekerde ze: ‘Het verhaal is nog veel langer. Wees niet ongeduldig. Treed weer binnen in het verhaal. Anders zult u het vergeten. Dan zal u een groot ongeluk overkomen…’

Ze wachtte nog even, nauwelijks merkbaar glimlachend, en ging toen door alsof ik haar nooit onderbroken had.

‘…een opdracht te vervullen had. Op een avond zat hij in een afspanning te drinken, toen een inboorling hem aansprak en vroeg of hij een uitzonderlijk verhaal wilde horen, een verhaal waarin alle andere verhalen samenkwamen. Toen de man dat bevestigde, bracht de inboorling…’

Nog zevenmaal hoorde ik de geschiedenis aan. Toen besloot ik aan mijn kwelling een einde te maken. Ik groette de vrouw, dankte haar en liep naar de buitendeur. Een ogenblik later stond ik in het pikkedonker. Geen gids te bekennen, geen normale, laat staan één die op Gregory Peck geleek. Ik vervloekte mijn naïviteit en piekerde over een manier om naar Lourinho terug te keren. Misschien was mijn gids in slaap gevallen. Ik zette enkele stappen in het donker en trachtte met luid geroep zijn aandacht te trekken.

Daarbij gebeurde er iets heel vreemds.

Hoewel ik mijn stembanden voelde trillen, kwam er geen geluid in mijn oren. Ik schreeuwde nog harder, maar ondanks de pijnscheuten in mijn keel bleef het doodstil. Evenmin was er iets te horen wanneer ik op de grond stampte of in mijn handen klapte. Ik werd behoorlijk ongerust, nu mijn twee voornaamste referentiepunten met de omgeving waren weggevallen: ik hoorde niets meer, ik zag ook niets meer.

Niemand kan het me kwalijk nemen dat ik die omstandigheden het rijtje van mijn zintuigen afging. En wat ik vreesde, werd bewaarheid: behalve het speeksel in mijn mond proefde ik ook niets meer, behalve mijn angstzweet was er ook niets meer om te ruiken en toen ik enkele stappen achteruit zette, voelde ik ook de deur van het huisje niet meer.

Ik raakte behoorlijk in de war. Niets horen, niets zien, niets voelen: ik kon net zo goed dood zijn! En toch… ik ademde zwaar, mijn hart sloeg onbehoorlijk snel voor een man van mijn leeftijd, in mijn maag en ingewanden knaagde een wee gevoel van onbehagen en mijn hersenen werkten op volle kracht. Nog nooit was het Cartesiaanse ‘ik denk, dus ik ben’ me zo dierbaar geweest.

Was dit het ongeluk dat me was voorspeld? Was dit mijn straf, omdat ik verhaal niet tot het einde toe had beluisterd? En waaruit bestond die straf dan? Was ik… irreëel geworden? Hoe had de oude vrouw het gezegd? ‘Kom terug in het verhaal. Verlaat het verhaal niet!’ En ik was er precies uitgestapt! Ik was uit de werkelijkheid van het verhaal gestapt en nu had ik alleen het gezelschap van mijn eigen eenzaamheid.

‘Oude vrouw, waar zit je? Oude vrouw!’

Ik schreeuwde het uit en ging daar een goeie vijf minuten mee door, tot ik uitgeput neerzonk op iets wat in de werkelijkheid de grond moet zijn geweest. Daarbij stootte mijn voet tegen een voorwerp. Mijn hart sloeg een slag over: daar was iets en mijn zintuigen namen het waar! Ik was niet alleen in deze onwerkelijkheid. Op handen en knieën tastte ik als een dwaas in het rond en verstarde toen ik de ijskoude wreef van een voet ontdekte. Mijn God, een lijk! Zou niets me bespaard blijven?

Voorzichtig tastte ik verder: de hiel, het scheenbeen, de knieschijf… en toen niets meer. Met een kreet van afschuw trok ik mijn hand terug. Er lag alleen een been! Meteen besefte ik dat dit het ontbrekende lichaamsdeel van mijn gids moest zijn. My leg, don’t forget! Ook mijn gids was dus in deze onwerkelijkheid geweest! Hij was er zijn been kwijtgespeeld! Maar hoe was hij erin geslaagd naar de werkelijkheid terug te keren? Als hij uit die nachtmerrie kon geraken, waarom zou het mij dan niet lukken?

Als ik nu eens rationeel nadacht. Als ik de zaken eens rustig op een rijtje zette. In het huis was er geen probleem geweest. Zolang ik naar de woorden van de vrouw had geluisterd, was ik in de werkelijkheid gebleven. Op een of andere manier hield haar verhaal de werkelijkheid vast. Het was duidelijk: ik moest hoe dan ook terug naar het verhaal.

Aarzelend begon ik de woorden van de vrouw te herhalen, heel zorgvuldig, in de hoop een opening te vinden, een deur naar de werkelijkheid.

‘Er was eens een man die in een vreemd land een opdracht te vervullen had. Op een avond zat hij in een afspanning te drinken, toen een inboorling hem aansprak en vroeg of hij een uitzonderlijk verhaal wilde horen, een verhaal waarin alle andere verhalen samenkwamen…’

Ik kende de zinnen woord voor woord uit mijn hoofd en hoewel ze na de vijfde of de zesde keer weer even vervelend klonken, brachten ze ook een ontspannen rust over me. Alsof het reciteren van de woorden, net als een gebed, het onheil bezweerde dat me zo overdiend overkomen was.

Het moet die ontspanning zijn geweest die de verlossende associatie met Berkeley’s boom tot stand bracht. Toen ik het verhaal namelijk voor de tiende keer op dezelfde manier vertelde, drong het tot me door dat, net zoals de Braziliaanse boom voor zijn bestaan slechts op waarneming had gewacht, de werkelijkheid ook alleen maar op woorden wachtte, mijn woorden!

De elfde keer vertelde ik het verhaal van de vrouw dan ook als volgt: ‘Er was eens een man die in een vreemd land een opdracht te vervullen had. Op een avond zat hij in een afspanning te drinken, toen een inboorling hem aansprak en vroeg of hij een uitzonderlijk verhaal wilde horen, een verhaal waarin alle andere verhalen samenkwamen. Toen de man dat bevestigde, bracht de inboorling hem naar een oude vrouw. Die drukte hem op het hart dat hij het hele verhaal moest horen, zoniet zou hem een groot ongeluk overkomen. De man ging akkoord en de vrouw begon te vertellen. Ze vertelde dat er eens een man was die in een vreemd land een opdracht te vervullen had. En toen vertelde ze het verhaal weer van voren af aan, telkens opnieuw en opnieuw, tot het de man begon te vervelen. Hij bedankte haar en verliet het huis. Daar constateerde hij dat hij zich buiten de werkelijkheid van het verhaal had begeven. Hij herstelde zijn vergissing door het verhaal nu zelf te vertellen, maar dan op zijn eigen manier. In dat verhaal liet hij zichzelf weer naar huis gaan. Hij ontmoette er zijn gids die hetzelfde avontuur had beleefd en die aan het ongewild reciteren van Melvilles Moby Dick een fortuinlijke redding, maar ook het verlies van een kostbaar been te danken had. Hij drukte de man op het hart het been onverwijld weer te laten aangroeien. Vervolgens ging hij naar zijn hotel, hij pakte zijn koffers, vertrok naar de luchthaven en verliet Portugal met bekwame spoed. Hoog in de lucht ebde zijn opwinding weg. Hij zuchtte diep, drukte met zijn vingertoppen op zijn ogen en zorgde er intussen voor dat het vliegtuig moeiteloos in de lucht bleef.

Daarna concentreerde hij zich op zijn volgende verhaal…