De volgende dag bood Maria van Toledo ons een uitgebreid feestmaal aan. ’s Middags gingen we aan tafel, ’s avonds zaten we er nog. Op de noodzakelijke ontlastingen na aten we de hele tijd door. Er werd veel wild opgediend en de bereiding ervan was lekkerder dan in Brabant. De tafelmanieren waren uiterst verfijnd: iedereen beschikte over een verkleinde versie van een riek of een gaffel, en blijkbaar was het de bedoeling daarmee het eten uit de grote pot te halen om het – net als mest – op onze borden uit te spreiden. Sommige hovelingen staken met die riek zelfs het eten in hun mond, op gevaar af hun tong te spietsen.
Vasaeus had weinig last van die maniertjes, en ook in andere opzichten kende hij geen schaamte of ongemak. Hij was de nar van de avond. Hoe luider de Spanjaarden lachten, hoe overmoediger hij werd. Hij toonde uitgebreid hoe hij in Vitoria water uit zijn handpalm had geslurpt en zette bij die demonstratie de halve tafel blank. Bij het hoge gezelschap kon de pret niet op.
Ikzelf hield me op de achtergrond, tot Vasaeus bij de beschrijving van de herbergen toevallig een tekst van Erasmus citeerde. Toen die naam viel, richtte Maria van Toledo zich tot haar zwager: ‘Heb je Erasmus ontmoet, Hernando, toen je in de Lage Landen was?’
‘Nee, vrouw, dat genoegen heb ik niet gehad, maar meester Cleynaerts kende hem goed.’
Ik schrok van het gemak waarmee mijn beschermheer me tot Erasmus-kenner promoveerde.
‘Kennen is veel gezegd, mevrouw. Ik ben nooit zijn vriend geweest.’
‘Meester Cleynaerts, u bent toch theoloog, niet?’
‘Bij de genade Gods, mevrouw.’
‘O, een echte theoloog, hoor ik.’
Ze kirde hoog – voor de andere edelen een teken om mee te lachen.
‘Nee, serieus,’ zei ze, waarop het gelach als bij afspraak stilviel, ‘wat is uw mening over Erasmus? Is hij een ketter?’
Ik aarzelde. Erasmus’ geschriften waren ook in Spanje onderzocht en vele van zijn boeken stonden op de verboden lijst. Maar een onrechtvaardige veroordeling verdiende de Rotterdammer niet.
‘Erasmus is geen aanhanger van Luther, mevrouw.’
‘Maar er zijn toch brieven bekend waarin hij Luthers werk een weldaad voor de christenen noemt?’
Blijkbaar volstond dat in Spanje om een ketter te zijn.
‘Mevrouw, dat de misbruiken in de Kerk zowel door Erasmus als door Luther worden aangeklaagd, maakt hen nog geen bondgenoten in de bestrijding ervan – al denken ongenuanceerde geesten daar wel eens anders over.’
‘O, meester Cleynaerts, ben ik dan een ongenuanceerde geest?’
Maria kirde weer overvloedig en de hele tafel viel haar bij. Zelfs Vasaeus en Colón lachten luidkeels mee. Ik werd rood tot achter mijn oren.
‘Ik bid u om vergeving, mevrouw, als ik die indruk heb gewekt.’
De weduwe vergaf me minzaam, maar scheen haar lach nauwelijks te kunnen bedwingen. Ik was blij toen aan de andere kant van de tafel een donkere Spanjaard met een messcherp gezicht mij aansprak.
‘Meester Cleynaerts, deelt u in de mening van Erasmus dat het beoefenen van goede werken bijdraagt tot onze verlossing?’
‘Die mening deel ik, edele heer.’
Daarop trok de Spanjaard één mondhoek omhoog – een poging om te glimlachen, vermoed ik – en ging achteruitzitten om iedereen van zijn scherpzinnige opmerkingen te laten meegenieten.
‘Zijn die goede werken dan in staat Gods beslissing over ons heil te wijzigen, meester?’
‘Die beslissing valt pas na dit leven, edele heer. Van een wijziging is geen sprake.’
‘Maar God is alwetend, dus hij kent de beslissing al vóór we dood zijn.’
‘Dat is best mogelijk, maar maakt dat enig verschil voor ons?’
De Spanjaard lachte honend.
‘Natuurlijk maakt dat een verschil! Als God die beslissing al kent, dan ligt hij vast en dan zullen mijn goede werken er niet veel meer aan veranderen. Waarom zou ik me dan nog uitsloven?’
Ik keek hem vriendelijk aan, maar kreeg alleen leedvermaak terug. Blijkbaar behoorde hij tot de christenen voor wie het geloof een kwestie van zakendoen was. Goede werken, ja, maar uitsluitend als investering. Kruideniers-christenen noemde ik zulke kerels. Ze zijn onschadelijk als het om kleine gelovigen gaat die door het betalen van aflaten de gunst van de Heer kopen, maar gevaarlijk wanneer het machtige heren betreft, die met hun geld hoge posten in de geestelijke gerechtshoven verwerven.
‘Vindt u niet dat dergelijke discussies aan theologen zijn voorbehouden, heer?’
Weer lachte de Spanjaard.
‘De theologen kunnen het niet eens worden!’
Ik zag de triomfantelijke grijns op zijn gezicht. En diep in zijn ogen ontwaarde ik beelden van zwartgeblakerde lichamen en uitgevreten karkassen. Ik verkilde.
‘Wat is daar zo erg aan, dat de theologen het niet eens worden? Het is beter dat zíj niet eens zijn dan dat onschuldige lieden die over die kwestie al eens een verkeerd woord hebben gezegd tot galg en brandstapel veroordeeld worden.’
Colón trok zijn wenkbrauwen op; Vasaeus en Hammonius stopten met kauwen. De Spaanse inquisiteur, van zijn kant, kromde zijn rug en maakte zich klaar om mij af te maken. In doodse stilte vroeg hij: ‘Bent u dan tegen de brandstapels, meester? Bent u tegen de strijd die onze vorst voert voor de zuiverheid van het geloof?’
Daar hadden we het gedonder. Nauwelijks had ik me voorgenomen in alle omstandigheden recht door zee te gaan, of mijn grote mond bracht me al in moeilijkheden. Terugkrabbelen wilde ik niet, maar ik moest dringend olie op de golven gieten of ik had een orthodoxieproces aan mijn broek.
‘Onze vorst doet wat hij kan, en God zal zijn inspanningen ongetwijfeld belonen. Maar verbrande schapen kunnen niet meer naar de schaapstal terugkeren.’
‘Hebt u dan liever dat ze de stal besmetten, meester?’
‘Het huis van God is groot genoeg.’
‘Waarom heeft Christus de kooplieden dan uit de tempel gejaagd?’
‘Dat deed hij in een vlaag van woede.’
‘O, God was zichzelf niet meer meester!’ hoonde de man.
Ik wilde bits antwoorden, maar blijkbaar vond de gastvrouw dat ik genoeg was gekweld. Ze giechelde hoog en zei: ‘Wat is het hier plotseling serieus, zeg! Juan, schenk de bekers nog eens vol. En jij, Hernando, vertel me wat je plannen zijn voor de komende dagen.’
Colón reageerde snel: ‘Voor ik naar Sevilla doorreis, ga ik wat bezoekjes afleggen in Salamanca. Ik moet er een paar rechtsgeleerden zien in verband met de nalatenschap van Diego. En ik neem aan dat meester Cleynaerts zijn collega’s aan de universiteit zal willen begroeten.’
Ondanks mijn verwarring spitste ik mijn oren.
‘Er is me gezegd dat er een leerstoel Arabisch is. Klopt dat?’
De gasten keken me verwonderd aan. Ze moesten onderhand wel een heel vreemde indruk van me hebben: een christelijk theoloog die tégen de brandstapels en vóór de Arabieren was!
‘Er is alleszins een catedra de lenguas, voor het Hebreeuws, het Chaldeeuws en het Arabisch, maar voorzover ik weet is die niet bezet,’ antwoordde een oudere man.
‘En zijn er Arabische manuscripten voorhanden?’
‘Hou hem tegen,’ riep Vasaeus uit. ‘Klaas heeft Arabische inkt geroken!’
Daarop schoot iedereen in de lach, de ene Spanjaard al wat zuurder dan de andere, maar Jan bereikte er wel het gewenste resultaat mee. De drank deed de rest.