Opening van De dode danseres
Flip Daenen hees zich in de blauwe overall, waarop in witte letters het woord Interleuven was aangebracht. Hij snoot zijn neus en liep naar de dispatching om zijn opdracht voor de voormiddag in ontvangst te nemen. Dat deed hij vandaag met alle mogelijke soorten van tegenzin. Niet alleen omdat het maandag was en omdat Viviane zijn week had verpest door bij zijn zuurverdiende ochtendboterham voor de zoveelste keer met een echtscheiding aan te komen, maar ook omdat de baas van de week Jef Wouters was, een bulldog met een stem van rauw schuurpapier en een gezicht om op te kloppen. Telkens als Wouters van dienst was, maakte Flip het vaste voornemen zijn opdracht onbewogen in ontvangst te nemen en zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Maar dat lukte zelden: Jef Wouters had een natuurlijk talent om mensen te provoceren en hij genoot ervan.
Kwam daar nog bij dat het bedrijf al twee weken onder zware stress zat. Eind september was een reuzenkraan van de breekwerf uit zijn rails geschoten en ruim vijftien meter lager in de vulput terecht gekomen. In zijn val had het logge ding zowat alles meegesleurd wat er mee te sleuren was. Vermoedelijk zou de werf een volle maand buiten gebruik blijven. En hoezeer de directie ook zijn best had gedaan om een ander stort te vinden, niemand bleek bereid Interleuven uit de nood te helpen. Het afval werd voorlopig in open lucht opgeslagen en wel op het oude stort achter de composteerruimte. Een beslissing met verstrekkende gevolgen: files voor de vuilniswagens, tijdverlies, minutieuze controle op de afdekking van het afval, veel overuren en hoe dan ook klachten van de omwonenden: die beschouwden de ongewone activiteiten als een heropening van de vroegere vijandelijkheden.
Toen Flip het kantoortje van de dispatching bereikte, haalde hij diep adem, zette zich schrap en duwde de deur open. Wouters zat achter zijn bureau papieren in te vullen, zijn gezicht op halfzeven.
‘Ha, Flipperdeflip,’ blafte hij, zonder van zijn werk op te kijken.
‘Dag, chef.’
Flips begroeting klonk zo weinig enthousiast, dat Wouters opkeek, als had hij een prooi geroken.
‘Ge ziet er slecht uit, Flipke. Niet gemogen, gisterenavond? Vivianneke koppijn? Handwerk moeten doen?’
Al jaren stond voor Wouters elke blijk van goed of slecht humeur in rechtstreeks verband met ‘mogen’ of ‘niet mogen’.
‘Toch niet, chef.’
‘Maak mij niets wijs, jongske. Ik zie alles.’
‘Zeker, chef.’
Wouters keek Flip oplettend aan, maar zag verder weinig kans om hem met Vivianneke de duivel aan te doen. Dus gooide hij het over een andere boeg. Hij leunde achteruit, bracht zijn handen onder zijn kin bijeen en probeerde een uitdrukking van minzaamheid op zijn gezicht te toveren. Stel u het resultaat van die poging voor, mocht een pitbull dat proberen.
‘Flipperdeflip, flapperdeflap, kent ge dat?’ vroeg de chef schijnbaar opgewekt.
‘Zeker, chef,’ zuchtte Flip, wachtend op de uitleg die hij al duizend keer gehoord had.
‘Een of ander jeugdprogramma, jongske. Flapperdeflap, wie doet me wat, kent ge dat? Goed, hé Flip? Rijmen en dichten zonder mijn gat op te lichten.’
Flip knikte instemmend, maar zweeg als vermoord. Het bleef een volle minuut stil in het kantoortje. Toen raspte Wouters opnieuw zijn keel: ‘Wel, Flip, antwoord eens.’
‘Wat antwoorden, chef?’
‘Of ge dat kent, Flipperdeflip, Flapperdeflap?’
‘Natuurlijk, chef,’ deed Flip kalm, terwijl zijn batterijen zich langzamerhand oplaadden.
‘Zeg dan eens wat dat is, Flipke.’
‘Een jeugdprogramma, chef.’
‘Dat heb ik al gezegd, jongske. Wat voor een jeugdprogramma?’
Flip stak de handen in zijn zakken, veranderde van steunbeen en legde een nadenkende uitdrukking op zijn gezicht.
‘Iets met kaboutertjes, denk ik, chef.’
‘Voilá,’ deed Wouters triomfantelijk en hij keek zijn slachtoffer verwachtingsvol aan. Maar Flip hield zich consequent gedeisd.
‘En wat doen die kaboutertjes ’s nachts, Flipke?’
‘Dat weet ik niet, chef.’
Wouters’ gezicht kreeg een hatelijke uitdrukking, nu hij van zijn ondergeschikte zo weinig hulp kreeg. Zijn wangen zakten naar beneden, zijn onderlip puilde naar voren en zijn neusvleugels sperden zich wijd open.
‘Kaboutertjes slapen ’s nachts, Flipke. Ze slááápen! Ze neuken voor mijn part, maar ze komen in elk geval uw werk hier niet doen!’
‘Nee, dat denk ik ook niet, chef,’ antwoordde Flip, terwijl hij zijn hersens pijnigde om te weten wat hij vóór het weekend had laten liggen, want daar was het Wouters blijkbaar om te doen.
‘Ah, dat denkt gij ook niet! Waarom hebt ge dan godverdomme de beekkant laten openliggen?’
Dedju, iemand had de beekkant niet afgedekt. Niet hij. Hij had vrijdag in de hangar gewerkt. Vermoedelijk een van die jonge mannen die hier de laatste tijd de grote Jan kwamen uithangen. Praats voor tien, maar hun werk doen, ho maar! De hele dag zo’n muziekding op hun oren tot ze potdoof waren en dan de ene stommiteit na de andere uithalen. Snotjong, verdomme.
‘De beekkant, chef?’ reageerde Flip, schijnbaar zeer geïnteresseerd.
Chef Wouters kwam woest overeind en richtte zijn arm met uitgestoken vinger in de richting van het noordoosten.
‘Ja, de beekkant, of hoort ge niet goed? Ge hebt de beekkant laten openliggen. En weet ge wie er aan de overkant van die godverdommesse beek woont?’
Ja, dat wist Flip. Jaren hadden er tegen Interleuven processen gelopen vanwege geurhinder, meestal veroorzaakt door pas gestort vuil dat op het einde van de dag niet goed was afgedekt. En als dan bij valavond de grondlucht begon te stijgen, verspreidde de stank zich over heel de omgeving. Kwam daar ’s ochtends nog wat mist bij, dan was het gegarandeerd koekenbak. En de man die dat allemaal met het geduld van een kat die op een uitwroetende mol wacht, telkens opnieuw aan de politie ging vertellen, heette Ward Hermans en woonde in een sjieke villa aan de overkant van de godverdommesse beek.
‘Klotehermans woont daar, Flipke! Kloteward klotehermans! En weet ge wie al naar het hoofdbureau heeft gebeld?’
‘Klotehermans, chef?’
‘Klotezeker klotehermans!’
‘Da’s erg, chef.’
‘Als ge’t godverdomme maar weet! Ziet ge dat oor hier, Flip? Mijn oor, dát hier, het oor waarmee ik naar de telefoon luister.’
Het grapje met het oor. De hele voorstelling.
‘Ja, dat zie ik, chef. ’t Is veel dikker dan anders.’
‘Als ge’t maar weet. En van wat is dat zo dik?’
‘Van het lawaai dat de grote baas door de telefoon heeft gemaakt, chef?’
‘Zekers, Flipke, van het lawaai.’
Daarmee leek Wouters over zijn hoogtepunt. Hij zonk achter zijn bureau neer, pulkte met trillende handen een sigaret uit een van de pakjes op zijn schrijfblad, stak ze aan en haalde de lucht diep in zijn zwartgeteerde longen. Na twee, drie halen leek hij zijn woede onder controle te hebben. Een flink stuk kalmer vroeg hij aan Flip: ‘Hebt gij dat gedaan?’
Flip kneep zijn lippen opeen, trok zijn mondhoeken naar beneden en schudde spijtig het hoofd: ‘Ik denk het niet, chef. Ik was vrijdag in de hangar.’
Wouters vloekte zonder enige aanwijsbare reden.
‘Waarom zwijgt ge dat dan?’
Flip haalde zijn schouders op: ‘Ge moet u toch op iemand kunnen uitwerken, chef.’
‘Godverdomme, Daenen, is dat nu een antwoord.’
Flip zei niets en hoopte dat Wouters hem nu eindelijk zijn opdracht zou geven. Maar in plaats daarvan wierp de pitbull een van de pakjes sigaretten in zijn richting en zei op een toon die Flip nog nooit van hem had gehoord: ‘Daenen jong, als wij de boel hier niet rechthouden…’
Flip keek zijn onbehouwen baas nieuwsgierig aan en besefte dat de uitbrander van de directeur niet min was geweest. Zo aangeslagen had hij de pitbull nog nooit gezien. Maar zoete broodjes bakken, daar had hij nu geen zin in. Hij liet de sigaretten onaangeroerd, knikte bedachtzaam en liep achteruit. Voor hij buitenging, draaide hij zich nog eens om en zei: ‘Ik zal de boel afdekken, chef.’
Wouters zwaaide met zijn hand zonder op te kijken.
Buiten blies Flip zijn wangen bol en liet de lucht langzaam tussen zijn lippen ontsnappen. Het kwaadste moment van de dag was voorbij. Met een beetje geluk kon hij de hele dag aan de noordoostkant blijven. Dan hoefde hij de chef niet meer te zien.
Stomme snotjong. Wie gaat er nu in weekend terwijl er afval openligt? En dan nog langs de beekkant. Al honderd keren hadden ze de machinisten verwittigd dat er zeker aan de beekkant niks mocht blijven openliggen. Maar die jonge snotterds hoorden dat natuurlijk niet met hun radio’s op hun stomme koppen! De maat kletsen op hun billen, met hun gat schudden en af en toe twee woorden vals meezingen, daar waren ze goed in!
Flip bereikte het wagenpark en liep naar zijn geliefkoosde wiellader met zijn grote schepbak en zijn topzware wel. Het loopvlak van de wel was voorzien van gevaarlijke ijzeren studs die het vuil moesten vermalen en tegelijkertijd verhinderen dat de machine van een helling zou glijden. In vijftien jaar was Flip met zijn bak nog nooit van een helling gegleden. Goei marchandise, die machine.
Met liefde controleerde hij het peil van de brandstof. Hij goot wat olie in de carter, stampte liefkozend tegen de twee meter hoge rubberen banden achteraan, gaf een klap op de bumper en kroop ten slotte in de cabine. Drie keer starten vandaag: het was weekend geweest. Na een gewone weekdag deed hij het in twee keer.
Even later reed Flip Daenen zachtjes fluitend naar het noordoosten, de plaats waar de Vuntbeek vlak langs het stort liep. ‘Vlak langs’ was een groot woord, want de afstand tussen de rand van het opgehoopte huisvuil en de beek bedroeg nog ruim twee kilometer. Daartussenin, op zowat de helft van de afstand stond een ijzeren afrastering die de grens van het terrein aangaf. Maar ook van die afrastering moesten de camions nog eens vijfhonderd meter verwijderd blijven. En verleden jaar had Interleuven daar nog honderd berkenbomen aangeplant. Voorzorgen genoeg, dus, om het meneer Hermans naar de zin te maken.
Terwijl de machine rustig onder hem gromde, stak Flip een sigaret op en genoot van de omgeving. Een buitenstaander zou erom lachen, maar hij hield van de vroege ochtenden op het stort. Bovenop zijn tractor kwam hij tot rust. Wouters ver weg, geen gezeur van Viviane om zijn hoofd en een stuk of twintig meeuwen die om zijn machine cirkelden: hij had net zo goed op de dijk van Blankenberge kunnen rijden.
Na tien minuten bereikte Flip de plaats van het onheil. Hij stopte, liet de motor stationair draaien en kwam uit zijn cabine om de toestand in te schatten. Hoofdschuddend bekeek hij de ravage enkele meters dieper: ruim tien camions huisvuil in opengereten plastic zakken, uiteengewoeld door de katten, verspreid door de meeuwen en dat over een oppervlakte van ruim tweehonderd vierkante meter. En stinken! Zelfs Flip kon het ruiken. Geen wonder dat Klotehermans aan de telefoon had gehangen. Waarschijnlijk zat die nu met een verrekijker vóór zijn raam om na te gaan of Interleuven zijn klacht ernstig nam. Naast hem lag waarschijnlijk ook het legendarische schriftje waarin hij alle bewegingen op het stort noteerde. In het verleden was al gebleken dat die schriftjes correcter waren dan de overzichtsfiches van de ploegbazen.
Flip keek naar de villa in de verte en hield zich in om een hand op te steken. Vervolgens concentreerde hij zich op de twee aren huisvuil. Hij kon zich perfect voorstellen wat er gebeurd was, verleden vrijdag: camions opgehouden in de avondfile, te laat op het stort, vracht toch maar afgekapt, hoewel de machinisten al van vier uur naar huis waren. Want die mannen wachtten niet, als hun shift erop zat. Wie zou hen trouwens tegenhouden? ’s Vrijdags was de directeur al om twee uur weg, de bureauchef en de andere bedienden om drie uur en de ploegbazen om halfvier. Wie is dan zo zot om tot na vier uur op zijn werk te blijven?
Hij spuwde in zijn handen, kroop in zijn cabine, joeg het toerental enkele keren op om de motor goed te smeren en reed dan voorzichtig de helling af. Beneden liet hij de laadbak tot tegen de grond zakken om hem onder de buitenste rand van het afval te schuiven. Met hoog oplopende motor reed hij het huisvuil in, een spoor trekkend van twee meter breed en een vijftal meter diep. Op het einde daarvan liet hij de bak omhoog komen om de inhoud ervan bovenop het andere afval te kieperen. Drie keer herhaalde hij die beweging.
Toen hij zijn bak voor de vierde keer omhoog liet komen, donderde het lijk eruit.