Uitgeput sjokken we voort over de heuvels en dalen van de kurkdroge Castiliaanse hoogvlakte. De zon brandt hoog in de hemel en verschroeit elk levend wezen dat zijn laatste druppel water verbruikt heeft, zowel mensen als dieren. Het is onverantwoord in deze hitte te reizen, maar de tijd dringt en de voorraden zijn bijna op.
Voorop loopt mijn vader, Moshe ben Menassah, die in Toledo ook Pedro de Toro werd genoemd. Achter hem stapt mijn jongere broertje Salomón, die we ook Jorge noemen. Aan zijn hand heeft hij mijn zusje Miriam. Dan volg ikzelf, Simón, met mijn jongste zusje Ester in mijn nek. Mijn moeder Ana en grootmoe Elisa sluiten de rij. We hebben twee ezels ter beschikking waarop we ons hele hebben en houden hebben geladen: belangwekkende boeken, huisraad, enkele medische instrumenten van mijn vader, drankjes en poedertjes uit zijn praktijk, papieren akten met wassen zegels die onomstotelijk bewijzen dat wij in de gunst stonden en staan van de grandes van Toledo, en verder kleren, schoenen en alles wat we in Portugal nog kunnen gebruiken.
Het verlies van land, haard en rijkdom valt ons zwaar. Onze buurman, Jonás ben Maimon, die ook wel Diego Toledano wordt genoemd, heeft zijn edelmetaal ingeruild voor waardeloze meubelstukken, boeken en huisraad die hij bij gebrek aan karren uiteindelijk toch heeft moeten achterlaten. De hoog in aanzien staande Moshe ben Ibrahim heeft zijn goud- en zilverstukken tot kleine klompjes omgesmolten en bij de vrouwen van zijn huis verborgen op plaatsen die ik niet durf te noemen. Zijn schoonbroer Salomón heeft een aantal van die klompjes opgegeten in de hoop ze na een lange reis door zijn lichaam ongeschonden weer in zijn bezit te krijgen. De familie van Samuel ben Shoshan heeft haar sieraden in bewaring gegeven bij broeders die verkozen in Spanje te blijven. In ruil hebben ze schuldbrieven ontvangen die ze in betere tijden – moge het Adonai believen – hopen te verzilveren.
De broeders die zijn achtergebleven, behoren allen tot de klasse van de marranen, dat zijn nieuwe christenen die gedoopt zijn in de Roomse kerk. Velen bekleden invloedrijke posities aan het hof. Ze rekenen erop hun voordelen te kunnen behouden, omdat ze sinds vele jaren afstand hebben gedaan van hun ‘vermaledijde joodse geloof’.
Ook wij zijn marranen. Vóór ons vertrek woonden wij wekelijks de mis van de christenen bij en we biechtten onze zonden. Telkens als ze daar om vroegen legde mijn vader grote sommen maravedís in de handen van kerkelijke en andere hoogwaardigheidsbekleders. Dat kon hij zich best veroorloven, want hij had een goede naam en een uitgebreid cliënteel, zowel bij handelaars en werklieden als bij kerkvorsten en edelen uit de verre omtrek. Maar in het geheim volgden we de rituelen van onze godsdienst en onderhielden we nauwe betrekkingen met ooms en neven die het joodse geloof trouw waren gebleven. We vierden hun feesten mee, vertelden verhalen over Rabbi Benjamin die alles wist over joden in de uithoeken van Azië, we lazen de Thora, alles in het grootste geheim. Salomón en ik zijn niet besneden omdat circumcisies – in tegenstelling tot opinies – lichamelijke sporen achterlaten. Voor het overige deden we wat we in het geheim konden doen. Telkens als er in onze familie een pasgeborene werd gedoopt, waste de rabbijn de olie van zijn hoofd wanneer we van de kerkelijke doopplechtigheid terugkeerden. Het was niet zonder gevaar joodse gebruiken in ere te houden, maar zolang Ferdinand en Isabella hun handen vol hadden met de moren in Andalusië, gedoogden ze ons heimwee naar vroegere tijden.
Na de verovering van Granada sloeg de stemming om: joodse rituelen vormden plots een bedreiging voor het levenswerk van de katholieke vorsten. Het nieuwe, door God begunstigde, ééngemaakte Spanje zou christelijk zijn of niet zijn. Mijn vader voelde aan dat de oude convivencia op springen stond en hij overlegde geregeld met zijn christelijke vrienden om te weten hoe zwaar de bepalingen van het Edict wogen. Waren ze een zoveelste poging om het joodse volk verplichtingen op te leggen waarvan het zich met veel dukaten vrij moest kopen? Voor die uitleg pleitten de lege staatskas en vroegere ervaringen met christelijke dwangbevelen. Er waren ook geruststellende berichten afkomstig van christelijke hovelingen die maar al te goed beseften dat het hele staatshuishouden draaide op de relaties van joodse handelaars met de havensteden in het Verre Oosten. Het afbreken van die betrekkingen zou neerkomen op zelfverminking. Verder waren er vele marranen met adellijke titels. Sommigen onder hen hadden de hand van hun dochters aan zonen van Spaanse grondbezitters geschonken. Niet weinig joodse handelaars hadden behoeftige Spaanse hidalgo’s in dienst, hopend op die manier veilig te zijn, want wie is zo dwaas te spuwen in de hand die hem voedt?
Maar anderen wezen op de bigotte vroomheid van de katholieke vorsten, wier godsvrucht zowel tot de grootste barmhartigheid, als tot de bloedigste wreedheid kon leiden. Toen de vorstin haar joodse onderdanen de kans gaf om zich zonder gevaar te melden als ze maar bereid waren het oude geloof af te zweren, wendden velen zich in volle vertrouwen tot de rechtbank. De rechters lieten die goedgelovigen inderdaad ongemoeid, maar alleen op voorwaarde dat ze verklikkers van de Heilige Inquisitie werden.
Velen gingen die verderfelijke weg op: om hun eigen zonen en dochters te redden, gaven ze hun neven en nichten aan. Deden ze dat niet, dan werd hun in vertrouwen afgelegde bekentenis beschouwd als een bewijs van schuld en werden hun goederen aangeslagen. Dat gebeurde zonder onderscheid des persoons. Ik ken een vooraanstaande marraanse familie waarvan één zoon minister is geworden, een tweede als ketter is verbrand, een derde tot bisschop gewijd, een vierde naar het buitenland gevlucht. De jongste van de vijf is een medewerker van de gevreesde familiares, nietsnutten die door de inquisitie als verklikkers worden gebruikt en daardoor immuun zijn voor de burgerlijke rechtspleging.
De christelijke paus was ontzet over de manier waarop de katholieke koningen de joden behandelden en vaardigde een bul uit, waarin hij hun verweet veeleer op geldgewin uit te zijn dan op het vrijwaren van het geloof. Ferdinand las de bul, legde ze naast zich neer en benoemde Tomás de Torquemada tot inquisiteur-generaal. Die man – zelf van joodse afkomst – was bezeten door een heilige missie, te weten, de zuivering van het christelijke geloof. Zijn tribunalen brachten aan het licht dat in de joodse synagogen vele hooggeplaatste hofdignitarissen gereserveerde plaatsen hadden, dat christelijke monniken van joodse afkomst zich in hun kloosters lieten besnijden door medebroeders van dezelfde afkomst, dat sommige marranen zich wasten op vrijdagavond, zodat duidelijk werd dat ze op de sabbat zouden rusten, dat nog anderen op zaterdag geen eten bereidden – getuige daarvan hun niet rokende schoorsteen. Al die beschuldigen voedden de angst en de wanhoop van ons volk.
En dan was er nog die vreemde voorkeur van de katholieke koningen voor wat ze het bloedzuivere Spanje noemden. Zij, die zelf afstamden van een bont allegaartje Romeinen, Kelten, Feniciërs, Vandalen, Westgoten, Iberiërs en Arabieren, riepen zichzelf plots uit tot ‘het zuivere ras’, superieur aan alle andere rassen. En in een gemeenschap van bloedzuiveren is er geen plaats voor onreinen. ‘Eén staat, één ras, één godsdienst’ werd het leidmotief van de katholieke koningen. Voortaan moest iedere ingezetene beschikken over een bewijs dat hij sinds zeven generaties rein van bloed was. Een christen die niet méér dan vijf generaties zuiver bloed kon aantonen, riskeerde de brandstapel, want Christus zelf had gezegd: ‘Verdorde takken moeten van Jezus’ wijnstok worden verwijderd en verbrand.’ Zelfs onze begraven voorvaderen waren niet veilig. Wanneer een getuige dertig jaar geleden had gezien hoe de grootvader van een verdachte op vrijdagavond vlees had gegeten, werd de grootvader opgegraven zodat de resten van zijn lichaam samen met dat van de verdachte kleinzoon konden worden verbrand. Sommige inquisiteurs verbrandden iedere jood die ooit een christelijke vrouw had bekend.