Joris Tulkens

Fragment: De schaduw van Erasmus

De volgende dagen verdringen artsen, chirurgijnen, dokters en barbiers zich om het ziekbed. De eerste die zijn wijsheid komt verkondigen, is een lafaard: vanaf veilige afstand geeft hij me aanwijzingen voor een helende pleister op de opengebarsten buil. De andere wonden bekijkt hij nauwelijks, maar buiten gehoorsafstand van de zieke deelt hij mee dat het om de pest gaat. Hij zal zijn helpers verzachtende kompressen laten brengen. En weg is hij.
De volgende in de rij is de jood Matthaeus Adrianus. Behalve dokter is hij ook nog sterrenwichelaar, waarzegger, alchemist en docent aan het Drietalencollege, dat enkele weken geleden inderdaad van start is gegaan in een lokaal van de paters augustijnen. Vreemde kerel, die Adrianus, met een nog vreemdere levenswandel: hij heeft een tijdlang in Italië gewoond, is vandaar naar Basel gevlucht en heeft als dokter in Heidelberg en Middelburg gewerkt. Geruchten over geldproblemen en duistere praktijken achtervolgen hem. Maar omdat hij bij Aldus Manutius ooit een Hebreeuwse spraakkunst heeft uitgegeven, vindt Erasmus hem een geschikte docent voor zijn nieuwe college. Na controle van de urine weet de jood het zeker: Erasmus’ ziekte heeft niks met de pest van doen. Hoe hij dat kan zien is voor iedereen een raadsel, want het gezichtsvermogen van de man is te vergelijken met dat van een mol.
De volgende ‘kenner’ is de vader van de chirurgijn die zich uit de voeten heeft gemaakt. De man gaat niet naar boven, maar laat urine naar beneden brengen. Hij onderwerpt mij aan een uitgebreid verhoor over de omstandigheden waarin de builen zijn ontstaan. Daarna bevestigt hij de diagnose van zijn zoon. Dat is dan zes stuivers.

Mijn baas is aangeslagen. Hij wil geen aardse dokter meer zien en beveelt zijn ziel meteen bij de Almachtige Dokter aan.
Maar nu grijpt Dirk naar de grote middelen: hij ontbiedt de stadschirurgijn, een alom gerespecteerd man met een smetteloze reputatie. Bevestigt die de laatste diagnose, dan is afzondering een feit; in het andere geval is de ellende in één keer achter de rug.
Alweer een merkwaardige kerel, die stadschirurgijn. Klein van stuk en weinig spraakzaam, maar wat hij kwijt wil, werkt zo op de lachspieren dat hij een goede hofnar zou zijn. Hij bestelt meteen een bekken met heet water en een stuk puimsteen.

‘Hoe lang hebt u op de boot gezeten?’
‘Ongeveer vier dagen.’
‘Hoe hebt u de rest van het traject afgelegd?’
‘Te paard of per koets.’
‘Hebt u ratten aan boord gezien?’
‘Nee.’
‘En hebben zij u gezien?’
‘Wat?’ vraagt Erasmus verbijsterd.
‘Grapje. Hoe rijdt u te paard?’
‘Meestal aan de bovenkant.’
‘Ik maak hier de grappen,’ zegt de man droog.
Erasmus glimlacht in zijn ellende.
‘Met zadel, zonder zadel, met onderkleed, zonder onderkleed?’
‘Sinds ik de builen in mijn lies heb zonder zadel en zonder onderkleding.’
‘Kwamen die wonden in contact met de huid van het paard?’
‘Ik denk van wel.’
‘En uw handen?’
‘Natuurlijk.’
‘En de zwellingen op uw rug en borst?’
‘In contact met het paard? Nee.’
‘Plas hierin.’

Erasmus gaat op de rand van het bed zitten en richt een straal urine in het potje dat de dokter hem voorhoudt. Als hij klaar is, roert de chirurgijn een hele tijd in de donkerbruine vloeistof. Vervolgens ruikt hij eraan. Alles in doodse stilte. Ik heb de indruk een begrafenismis bij te wonen. Daarna bestudeert hij de kwetsuren in Erasmus’ liezen. Hij haalt nog wat zwart vlees uit de opengebarsten buil, snijdt een andere open en reinigt de wonde. Daarbij humt en knort hij als een varken dat zijn trog ledigt.

‘Koorts gehad?’
‘Een paar keer, maar dat was het gevolg van een indigestie.’
‘Overgegeven?’
‘Eén keer. Zelf opgewekt.’
‘Wat hebt u overgegeven?’
‘Rauwe vis.’
‘Hoofdpijn?’
‘Inderdaad.’
‘Droge mond?’
‘Ja.’
‘Stinkende adem? Plakkend gehemelte?’
‘Nee.’
Alweer gehum en geknor.
‘Ik wil de zwelling op uw borst zien.’
Erasmus trekt zijn kleren uit. Hij toont de buil en beweegt hem met zijn vinger heen en weer.
‘Aha,’ zegt de chirurgijn.
‘Hoezo, aha?’
‘De huid van het paard komt in contact met uw geslacht en uw liezen. Bij het plassen komen uw vingers in contact met uw geslacht en uw liezen. En nu hebben uw vingers de buil aangeraakt.’
We kijken de man met open mond aan.
‘Is dat van belang?’

De chirurgijn antwoordt niet, maar duwt stevig op de buil onder de rechterborst. Vervolgens draait hij Erasmus om zijn as en hij duwt ook op de zwelling in de nierstreek.
Intussen heeft Peter, de zoon van Dirk, het waterbekken en de puimsteen naar boven gebracht. De dokter doet een poedertje in het water en wast er zijn instrumenten in.
‘Er is een theorie,’ zegt hij gewichtig. ‘Open wonden trekken onzichtbare levensvormen aan. Die zijn eropuit almaar sterker te worden. Ze zoeken andere zwakke plekken op het lichaam. Via de handen, via de lucht of via de instrumenten. Wie verzorgt de zieke?’
Ik steek mijn hand op.

‘Het is van het grootste belang te verhinderen dat de levensvormen naar andere plekken migreren. Etterende kwetsuren moet je onmiddellijk afdekken. De gebruikte doeken moet je weggooien of verbranden. En je moet voortdurend je handen wassen. ’
Ter illustratie steekt hij zijn handen in het water, wrijft ze met puimsteen schoon en droogt ze zorgvuldig af.
‘Het is dus geen pest?’ constateert Dirk met meer hoop dan kennis.
‘De komende weken zal er nog zwart vlees uit de builen komen. Was de wonden goed uit en leg er verzachtende kompressen op.’
‘Maar het is geen pest?’ dringt Erasmus aan.
De chirurgijn bekijkt mijn baas met een gezicht dat geen enkele emotie verraadt en zegt laconiek: ‘Ik zou er niks op tegen hebben het bed met u te delen.’