Joris Tulkens

Fragment: De schaduwganger

Dialogen over de telefoon

1

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert?’

‘Albert hier. Hoe is het met u?’

‘Goed, Albert. En met u?’

‘Goed zeker. En de kinderen?’

‘Ook goed.’
‘En Elske?’

‘Heel goed, Albert.’

‘Kan ze al lopen?’

‘Dat begint.’

‘Brengt ge ze mee, zondag?’

‘Als we kunnen komen, Albert.’

‘Kunt ge niet komen?’

‘Misschien niet.’

‘En onze pa en ons ma?’

‘Misschien wel, als ze het openbaar vervoer nemen.’

‘Iederéén krijgt hier bezoek, Peter.’

‘Ja, Albert, maar élke zondag kunnen we niet komen. Ik heb mijn werk en ik kan de kinderen niet altijd alleen laten.’

‘Maar ik moet u spreken.’

‘Waarover?’

‘Over mijn situatie.’

‘Daar hebben we het al zo dikwijls over gehad, Albert.’

‘Moet ik de Lions dan hun goesting geven?’

‘De Lions hebben daar niets mee te maken.’

‘Juist wél, Peter. Gij verstaat dat niet.’

‘Als ge genezen zijt, komt alles vanzelf in orde, Albert.’

‘Maar ik ben niet ziek!’

‘Natuurlijk zijt ge ziek.’

‘Wat heb ik dan?’
‘Ge hoort stemmen door de rioleringsbuizen en in de radio.’

‘Zijt ge dan ziek als ge goed hoort?’

‘Toch als niemand anders hoort wat gij hoort.’

‘Dus ik mag alleen horen wat iedereen hoort?’

‘Dat is beter, ja.’

‘Want als ik méér hoor, zeggen ze dat ik ziek ben.’

‘Ja.’

‘Peter, als een hond een hondenfluitje hoort dat niemand anders hoort, is die hond dan ziek?’

‘Dat is iets anders, Albert.’

‘Godverdomme, dat is geen antwoord! Verstaat ge niet dat dit geen antwoord is? Ik denk daar de hele dag over na, en gij zegt dan: dat is iets anders. Ik wil een serieus antwoord!’

‘Albert, als ge zo blijft vloeken, leg ik in.’

‘…’

‘Albert?’

‘Ja?’

‘Huil nu maar niet. Ik zal zondag komen, goed?’

‘Brengt ge Elske mee?’

‘Dat zal ik doen.’

‘Tot zondag, dan.’

‘Ja, tot zondag.’

‘Ge komt toch zeker?’

‘Ja, ik kom.’

‘Dag, Peter. De groeten aan de kinderen.’

‘Dag, Albert.’

‘Dag, Peter, dag. Dag!’

2

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert?’

‘Albert hier. Hoe is ’t met u?’

‘Goed, Albert. Waarvoor belt ge?’

‘Om te zeggen dat er een oplossing is.’

‘Hoe bedoelt ge?’

‘Ik heb gehoord dat ze er anderhalf miljard voor overhebben.’


‘Anderhalf miljard? Waarvoor?’

‘Als schadevergoeding.’

‘Schadevergoeding voor wat?’

‘Voor hetgeen ze me in het bedrijf hebben aangedaan.’

‘Wie zijn ze?’

‘De schuldigen, natuurlijk.’

‘En wie zijn dat?’

‘De Lions en de raad van bestuur.’

‘Albert, hou toch op met die onzin.’

‘Maar Peter…’

‘Ten eerste is er geen anderhalf miljard, ten tweede hebt gij van niemand iets gehoord, en ten derde zijn er geen schuldigen.’

‘Ik heb dat toch horen zeggen.’

‘Nee, Albert, gij dénkt dat ge dat hebt horen zeggen.’

‘Nee, ik ben er zeker van.’

‘En ik zeg dat het niet waar is.’

‘Weet gij er dan meer van?’

‘Nee, Albert, ik weet daar helemaal niets van.’

‘Waarom zegt ge dan dat het niet waar is?’

‘Omdat ik weet hoeveel anderhalf miljard is en omdat niemand zoveel geld weggeeft.’

‘Maar ik heb het gehoord!’

‘Nee, Albert, gij dénkt dat ge dat gehoord hebt.’

‘Zeggen ze dat dan om mij te pesten?’

‘Niemand heeft iets gezegd, Albert. Die stemmen bestaan alleen in uw hoofd, en daarom zit ge in een instelling, en daarom moet ge pillen nemen. Tot de stemmen wegblijven, en dan zijt ge genezen.’

‘En mag ik dan naar huis?’

‘Natuurlijk.’

‘Maar als ze mij blijven pesten?’

‘Niemand pest u, Albert. Gij beeldt u dat in.’

‘Da’s niet waar, Peter. Ik maak het elke dag mee.’

‘We zullen er zondag over voortbabbelen, Albert.’

‘Komt ge zondag?’

‘Dat heb ik gisteren toch al gezegd.’

‘Brengt ge de kinderen mee?’

‘Waarschijnlijk wel.’

‘Ik heb ze al een hele tijd niet meer gezien.’

‘Ik zal ze meebrengen.’

‘Tot zondag dan. Dag, Peter.’


‘Dag, Albert.’

‘De groeten aan de kinderen. Dag. Dag!’

3

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert?’

‘Albert hier. ’t Is om te zeggen…’

‘Albert, dat is al de derde keer deze week, en morgen kom ik, mét de kinderen.’

‘Ja maar, Peter, ’t is om iets belangrijks te vragen.’

‘Wat dan?’

‘Of ge mijn radio kunt meebrengen, ge weet wel, die oude Telefunken. Ik denk dat hij op zolder staat.’

‘Maar ge hebt toch zo’n draagbaar ding?’

‘Ja, maar dat is niet geschikt.’

‘Niet geschikt voor wàt?’

‘Het moet een radio met een groen oog zijn, zo’n oog dat opengaat als ge boven op de post zit en dicht als ge ernaast zit.’

‘En wat is daar het nut van?’

‘Ik hoor daar meer op.’

‘Wablieft?’

‘Ik hoor daar meer op.’

‘Méér dan op uw draagbaar toestel?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik daarop kan horen wat er juist náást de post gezegd wordt.’

‘Naast de post is er niets, Albert.’

‘Niet op die kleine toestelletjes, nee, maar wel op een Telefunken. Als de naald bijna dicht is, hoort ge nog altijd iets. En ook als ge van golf verandert.’

‘Albert, hoe komt ge daarbij?’

‘Als ik op de middengolf een post instel en ik schakel over naar een andere golf, dan moet er ineens een ander mannetje naar voren komen en dan is dat verrast. Dan vertelt dat dingen die het normaal niet vertelt. Zo hoor ik nog eens iets.’

‘Albert, ge zijt niet goed bij uw hoofd.’

‘Probeer het maar eens, Peter, ge zult zien dat ik gelijk heb.’
‘Als die Telefunken nog op zolder staat, zal ik hem meebrengen, maar ik geloof niets van wat ge zegt.’

‘Gij moet dat niet geloven, Peter. Als ík het maar geloof.’

‘Zulke dingen helpen u niet, Albert. De pillen, die helpen. Neemt ge uw pillen?’

‘Waarom? Ik weet niet waarvoor die dienen.’

‘Ze moeten ervoor zorgen dat ge geen stemmen hoort.’

‘Maar dan weet ik van niets meer! Alles wat ik nu weet, heb ik van mijn stemmen.’

‘Albert, in godsnaam, waarom luistert ge niet naar mij? Als ge uw pillen neemt, zullen de stemmen wegblijven en moogt ge in weekend komen. Geloof me…’

‘… ‘

‘Albert? Zijt ge er nog?’

‘… ‘

‘Albert, geef antwoord of ik leg de telefoon neer.’

‘… ‘

‘Dag, Albert. Tot zondag.’

4

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert?’

‘Ja, Albert. ’t Is om te zeggen dat ik uw boek gelezen heb.’

‘Mijn boek? Hoe zijt ge daaraan geraakt?’

‘Dokter Deleeck heeft het voor mij meegebracht.’

‘Ach zo. En wat vondt ge ervan?’

‘Goed, Peter, heel goed. Af en toe een beetje moeilijk, maar ik verstond het. Zijt ge nu beroemd?’

‘Ik? Bijlange niet.’

‘Uw naam staat toch op het boek?’

‘Dat betekent niets, Albert.’

‘Gaat ge er nog schrijven?’

‘Misschien wel.’

‘Zou ik dat ook kunnen?’

‘Natuurlijk. Iederéén kan een boek schrijven. Ge moet alleen iemand vinden om het uit te geven.’

‘Als ik eens een boek over mezelf schreef?’

‘Dat is een goed idee, Albert.’
‘Of een detective, dat leest vlot.’

‘Da’s waar. En ge zult veel makkelijker een uitgever vinden.’

‘Ik heb al iets om over te schrijven.’

‘Wat dan?’

‘Landkaarten.’

‘Landkaarten?’

‘Hebt ge een landkaart al eens goed bekeken, Peter?’

‘Ja, waarom?’

‘Landkaarten kloppen niet.’

‘Hoe bedoelt ge?’

‘Dat ze niet kloppen. Die lijnen van de autowegen, die zijn drie millimeter dik!’

‘En dan?’

‘Dan is zo’n snelweg eigenlijk driehonderd meter breed! Daar kunt ge wel dertig rijstroken op leggen!’

‘Ja maar, Albert, dat is een schematische voorstelling. Als ze alles op schaal zouden afbeelden, zoudt ge veel dingen niet meer zien. Dus maken ze de belangrijke dingen wat groter. Iedereen weet dat. En niemand maakt daar problemen over.’

‘Ik wel.’

‘Ja, dat hoor ik.’

‘Ik denk dat ze onder die strepen iets verbergen. Iets dat gewone mensen niet mogen weten.’

‘Albert, begin niet, hé!’

‘Ja maar, Peter, bij alle kaarten is het zo. Dat kan toch geen toeval zijn?’

‘Albert, geloof me, daar zitten geen kwade bedoelingen achter.’

‘En als ik denk van wel, dan moet ik meer pillen slikken, zeker?’

‘Nee, Albert, maar ik geloof niet dat daar stof voor een boek in zit.’

‘Uw verhalen gaan toch ook over vreemde toestanden?’

‘O ja?’

‘Wandelaars die zichzelf tegenkomen, een psychiater die patiënt wordt, een journalist die in zijn eigen verhaal belandt, noemt gij dat allemaal normale onderwerpen?’

‘Albert, dat is anders.’

‘Waarom zou dat anders zijn?’

‘Dáárom.’

‘Da’s geen antwoord.’

‘Wilt ge zeggen dat ik ook pillen moet slikken als ik over zulke dingen schrijf?’

‘Nee, maar waarom mag ík het niet proberen?’
‘Dat moogt ge wel. Als gij over die snelwegen een detective wilt schrijven, dan moet ge dat voor mij niet te laten.’

‘Ge lacht mij uit, hé?’

‘Nee, dat doe ik niet.’

‘Ge zoudt kunnen verschieten.’

‘Ik hoop het, Albert. Ik hoop het.’

‘Ik kan meer dan ge denkt. En ik wéét meer. ‘

‘Dat is zeker, Albert. Weet ge al of ge zondag naar huis moogt komen?’

‘Hé?’

‘Of ge zondag moogt komen?’

‘Als ik genoeg spiraaltjes heb ingepakt.’

‘Doe dat dan, Albert.’

‘Hoe is het met ons Els?’

‘Heel goed. Ze kan al papa en mama zeggen.’

‘En Albert?’

‘Nog niet, maar ik zal het haar leren.’

‘Beloofd?’

‘Beloofd.’

‘Tot zaterdag dan?’

‘Ja, Albert, tot zaterdag.’

5

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert, hoe is ’t met u?’

‘Ja, Albert hier. Waar zijt ge vandaag geweest? Ik heb de hele dag gebeld.’

‘Ik ben gaan werken, Albert, zoals alle normale mensen.’

‘Ge zoudt mij het nummer van uw werk moeten geven.’

‘Nee, Albert, daar moogt ge me niet bellen.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat mijn baas niet graag heeft dat ik zijn tijd verdoe.’

‘Dat is bijna hetzelfde als bij mijn directeur zaliger. Pas maar op dat ge niet te dikwijls naar de wc gaat of ge eindigt zoals ik. Ze houden u altijd in het oog, makker.’

‘Ik zal eraan denken, Albert. Wat is er zo dringend?’

‘Ze willen tot een akkoord komen.’

‘Wie wil tot een akkoord komen?’
‘De Lions.’

‘Godverdomme, Albert, begin nu niet opnieuw over die Lions!’

‘Nog één keer, Peter. Luister nog één keer!’

‘Nee, ik wil het niet meer horen!’

‘Peter, ze vragen u als tussenpersoon! Ge moet mij helpen. Ik kan niemand anders vertrouwen.’

‘… ‘

‘Peter, als ik van dat anderhalf miljard afzie, mag ik hier weg.’

‘… ‘

‘Het is mijn enige kans, Peter. Als ik geen schadevergoeding eis, mag ik hier weg. Maar ze vragen dat gij alles op papier zet, en dan zullen zij tekenen.’

‘Ik zet niets op papier.’

‘Dan zit ik hier vast voor de rest van mijn leven!’

‘Dat is niet waar, Albert. Als gij uw pillen op tijd neemt en ge zijt genezen, dan moogt ge direct naar huis. De Lions hebben daar niets aan te zeggen en de raad van bestuur evenmin. Hoort ge mij, Albert?’

‘Hoe weet gij dat?’

‘Ik wéét het, Albert, laat dat genoeg zijn.’

‘Ge moogt uw bron niet verraden…’

‘Juist.’

‘Hebt gij contact met hogere kringen dan de Lions?’

‘Ja.’

‘Met het hof?’

‘Godverdomme… ja!’

‘Aha. En hebt ge die contacten omdat ge boeken schrijft?’

‘Ja.’

‘Waarom zijt ge zo kort van stof? Worden we afgeluisterd?’

‘Dat kan altijd.’

‘Oké, dan leg ik in.’

‘Albert, ga uw spiraaltjes in de verpakkingen steken en laat alles verder aan mij over, goed?’

‘Ja, ja, Peter. We verstaan mekaar. Ik leg in, hé!’

‘Dag, Albert.’

‘Dag, Peter, dag. Dag!’

6

‘Hallo, met Weemaes.’
‘Peter, zijt gij het?’

‘Albert?’

‘Ja, met Albert hier. Ik heb weer iets vreemds ontdekt. Iets waarover ik een boek kan schrijven.’

‘O ja? Wat dan?’

‘Polshorloges.’

‘Polshorloges?’

‘Ja.’

‘Wat is er zo spannend aan polshorloges?’

‘Dat ze tijd verstoppen.’

‘Tijd verstoppen?’

‘Toch de horloges met cijfertjes.’

‘Bedoelt ge die digitale dingen?’

‘Ik denk het.’

‘Hoe verstoppen die de tijd?’

‘Ze springen van de ene seconde naar de andere.’

‘Albert, ik kan niet volgen.’

‘Waarom wordt de tijd tússen de seconden niet aangeduid, Peter? De tienden, de honderdsten, de duizendsten? Om nog te zwijgen van de nanoseconden.’

‘De wat!?’

‘De nanoseconden! De miljardste delen van een seconde. Opgezocht in de encyclopedie. Waarom worden die niet aangeduid?’

‘Hoe kan ik dat weten, Albert? Waarschijnlijk omdat dat te moeilijk is. En omdat niemand daar iets aan heeft. Wie kan nu iets aanvangen met het miljardste deel van een seconde?’

‘Volgens mij zit er méér achter.’

‘Dat had ik kunnen denken.’

‘Volgens mij doen ze in die tijd dingen die wij niet mogen weten.’

‘Albert, alstublieft!’

‘Ja maar, Peter, gij doet daar allemaal zo luchtig over.’

‘Albert, ik heb nog veel werk. Als ge over uw nanoseconden een boek wilt schrijven, doe dat dan, maar val mij er niet mee lastig.’

‘Peter, ge moet me helpen!’

‘Dat is hetzelfde als met uw autowegen. Een digitaal horloge geeft een schematische voorstelling, en zo’n voorstelling is altijd een stuk grover dan de echte tijd. Zoek daar verder niets achter.’

‘Maar die nanoseconden zijn er wel!’

‘Ja, natuurlijk, in het echt zijn ze er.’

‘Maar, Peter, als ze die dingen weglaten, hoe weet gij dan dat ze er zijn?’
‘Omdat… omdat ik dat wéét.’

‘Da’s geen antwoord.’

‘Omdat er in de laboratoria toestellen staan waarmee ze die nanoseconden wél kunnen meten. Voilà. Mag ik nu gaan voortwerken?’

‘Nog één vraag, Peter.’

‘De laatste, hé!’

‘Zoudt ge morgen bloemen willen leggen op het graf van directeur Vandenbergh? ’t Is twee jaar geleden dat hij door de honden werd doodgebe…’

‘Nee.’

‘Doe het voor mij, Peter. Ik zal u zondag terugbetalen.’

‘Nee, dat doe ik niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat er geen graf is, godverdomme! En er is geen graf omdat de directeur springlevend is! En de directeur is springlevend omdat de honden er vies van waren! Springlevend is hij en steenrijk omdat hij al jaren mensen aan de deur zet die niet genoeg presteren in zijn bedrijf, mensen zoals gij, Albert. Daarom! En nu ga ik voortwerken.’

‘Peter? Komt ge zondag? Peter!’

7

‘Hallo, met Weemaes.’

‘Peter, zijt gij het?’

‘Ja, Albert.’

‘Albert hier. Luister, Peter, ik denk dat ik het heb. Ik heb niet veel tijd, want ik moet direct voortstuderen, maar ik denk dat ik het bijna heb. Ik heb van dokter Deleeck twee boeken gekregen en die ben ik nu volop aan het lezen. Niet gemakkelijk, hoor. Vooral dat Frans, dat is…’

‘Albert!’

‘…verschrikkelijk moeilijk, maar ik ben in de bibliotheek een woordenboek gaan halen en daar kom ik een heel eind mee. Ge moet me wel een paar dingen uitleggen, zondag, ik heb ze opgeschreven, want…’

‘Albert!’

‘…gij hebt toch filosofie gestudeerd? Wel, ik weet nu hoe het komt, dat van die autowegen en van de digitale horloges. Ge hebt gelijk, hoor, ze noemen dat semantische systemen en in elk systeem…’

‘Albert, wilt ge eens kalmeren! Ik begrijp geen woord van wat ge aan het vertellen zijt.’

‘Maar ik ben zo zenuwachtig, Peter, omdat ik het bijna weet!’

‘Wat weet ge bijna?’
‘Hoe het ineenzit. Waarom alles is zoals het is. En ik weet ook hoe ik hier weg kan geraken…’

‘Albert, kalm! Vertel me eerst wat er gebeurd is.’

‘Als ik voortdoe zoals ik bezig ben, mag ik volgende maand in weekend komen.’

‘In weekend? Zijt ge daar zeker van?’

‘Heel zeker. Hoe meer ik lees, hoe beter, zegt dokter Deleeck. Als ik veel lees, mag ik mijn therapieën laten vallen. Ik moet al geen spiraaltjes meer inpakken, ik ga alleen nog naar de creatieve therapie. Om beeldjes te maken. Hoe meer ik er maak, hoe rapper ik weg mag…’

‘Albert, ge zijt iets aan het lezen, zegt ge. Wat precies?’

‘Ik lees over de woorden en de dingen.’

‘Wablieft!?’

‘Over de woorden en de dingen.’

‘Albert, gij zijt zot.’

‘Nee, Peter. Zot zijn, dat is als er geen woorden meer zijn tussen u en de dingen. Woorden dienen om u tegen de dingen te beschermen, en als ge geen woorden meer hebt…’

‘Sorry, Albert, daar snap ik niks van.’

‘Weet ge dat nog van die autowegen, Peter?’

‘Ja, Albert. Die zijn te breed getekend.’

‘En dus zit daar vanalles onder. Wel, met woorden is dat ook zo!’

‘Albert…!’

‘Woorden bedekken ook dingen die niet tot het woord behoren, zoals de lijnen van de autowegen.’

‘Albert, alsjeblieft!’

‘En weet ge wat die woorden bedekken?’

‘Nee, Albert.’

‘Het onbewuste.’

‘Wat!?’

Le langage est la condition de l’inconscient.’

‘Albert, wilt ge wel eens ophouden met die onzin?’

‘Onthullen is verhullen, Peter, ziet ge dat niet?’

‘Albert, zijt gij godverdomme Lacan aan het lezen?’

‘Jep.’

‘Jezus Christus, weet dokter Deleeck daarvan?’
‘Natuurlijk, hij geeft me die boeken.’

‘Albert, daar ben ik absoluut niet gelukkig mee.’

‘Ik wel, Peter. Ik moet woorden zoeken om tussen mij en de dingen te plaatsen, zegt dokter Deleeck. Daarvoor is het woord vlees geworden: om ons te beschermen tegen de dingen. Maar het woord viel op een rotsige bodem en het verdorde. En dus werd de mens aangesteld…’

‘Albert, ik kan daar niet tegen als ge zo praat!’

‘Maar toen moest God alweer optreden omdat de mens het woord ijdel had gebruikt. En dus sprak Hij: tot het einde der tijden…’

‘Albert, alstublieft!’

‘… zult gij over het onderscheid tussen zin en waanzin in onwetendheid verkeren.’

‘Albert, als ge niet ophoudt, leg ik in!’

‘Wenen en tandenknarsen zult gij…’

‘Ik leg in, Albert.’

‘…om de catastrofen die gij veroorzaakt hebt.’

‘Dag, Albert.’

‘En toen deed God het licht uit.’

‘…’

‘Peter, zijt ge er nog?’

‘…’

‘Peter, komt ge zondag? Peter? Peter?’