Joris Tulkens

Fragment: De Shatila Erfenis

Houston, 29 januari.

Rosita Martinez was die ochtend goedgemutst wakker geworden. Ze had uitstekend geslapen op haar super-de-luxe dubbel gevouwen kartonnen bed en voelde zich in staat bergen te verzetten. Ze had haar bed achter een ligusterhaag verborgen – karton van goede kwaliteit ging makkelijk een maand mee – haar rugzak over haar schouder geworpen en zich naar de enige openbare waterkraan in de buurt gehaast. Die lag in de steeg naar de dienstingang van het Metropolitan. Vanaf zeven uur was het daar aanschuiven en dus was het zaak er zo vroeg mogelijk bij te zijn: de dag was kort en het leven aangenaam.
Nadat Rosita haar gezicht en haar handen had bevochtigd, gunde ze zichzelf een goede slok van het water. Daarna liep ze opgewekt naar de refter van The Christian Shelter. Het was een feest om daar de dag te beginnen: een donut en een kop koffie, gratis en zonder gezeur over Jezus en Maria en God de Vader, allemaal volk dat ze met veel plezier in Chihuahua, Mexico, had achtergelaten, toen pastoor Gonzalez haar een kind had gemaakt. Het kind had ze verkocht aan een welmenend Amerikaans echtpaar, het geld had ze verbrast aan drank en drugs. Kortom, Rosita had een alledaags, onopvallend leven geleid, voordat ze in het Guinnessbook of Records terechtkwam als het eerste slachtoffer van de grootste catastrofe uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.
‘Dag, Rosita,’ riepen de twee lekenzusters van het Heilig Hart in koor. ‘Je bent er vroeg bij vanochtend.’
‘Veel te doen, veel te doen,’ zei Rosita gejaagd, terwijl ze op de donut aanviel. Ze gedroeg zich als een secretaresse met grootse carrièredromen en veel tijdsgebrek. Tussen elke hap dronk ze een halve kop koffie en ook nog eens een halfje op het einde van haar schrokpartij. Twee koppen dus, waarvan ze tweede moest betalen. De drie cent die ze ervoor neertelde, redden haar eergevoel van de ondergang.
Toch zou ze na vandaag aan dat eergevoel niet veel meer hebben, want toen zuster Virginie haar vroeg of ze een derde kop wilde, was Rosita alweer in slaap gevallen. De zuster schudde haar bij de schouder, trok haar neus op voor de stank die ze plotseling waarnam, en schrok zich een hoedje toen ze onder de tafel een plas bruin stinkend vocht ontdekte.
Rosita Martinez wás niet meer.

Het tweede slachtoffer was Leonard Cohen. Leonard was handelsreiziger in schoonmaakproducten en zoals elke ochtend was hij ook op de 29ste januari omstreeks zeven uur in zijn wagen gestapt voor een lange rondrit in het zuidoosten van Houston, waar zijn wingewest lag: Pasadena, Baytown, Friendswood. Ook Leonard had een uitstekende nacht achter de rug, en dus zong hij tussen zeven en acht alle bekende hits van zijn beroemde naamgenoot. Hij zong ze lang niet zo triest als de grote zeurder, maar met veel meer inzet. En telkens als zijn keel droog werd, gunde hij zichzelf een slok uit zijn drinkbus.
Drinkbus is een groot woord. In feite was het een plastic flacon waarin ooit chemisch spul van mister Proper had gezeten. Jaren terug had hij het ding grondig uitgewassen en als drinkbus in gebruik genomen, overigens zonder zichtbare schade voor zijn gezondheid. Hij had wel het etiket op de flacon laten zitten, zodat hij nieuwe klanten telkens de stuipen op het lijf joeg door voor hun ogen een slokje van de bus te nemen. Zogezegd om te bewijzen dat de producten van mister Proper absoluut geen gevaar voor het milieu inhielden. Ja, Leonard Cohen was een grapjas. En een goede verkoper, want telkens als de klanten van hun schrik bekomen waren, vroegen ze of zijn naam ook een grapje was. En dan haalde Leonard triomfantelijk zijn rijbewijs boven met zijn familienaam Cohen op. Dat vonden die klanten wel twee bussen schoonmaakproduct waard.
Maar vandaag, op de tonen van Dance me to the end of love voelde Leonard zich onwel worden. En toen hij via de Beltway zijn eerste adres in Pasadena naderde, constateerde hij met verbijstering dat het zitvlak van zijn broek helemaal doorweekt was van dunne smurrie die zonder merkbare druk van zijn kant uit zijn darmen liep. Voor hij erin slaagde zijn overjarige Chevrolet op de pechstrook te parkeren, had zijn wazige bewustzijn het voertuig al tegen de vangrail aan gestuurd. De band van het rechtervoorwiel scheurde open, het voertuig dook onder de vangrail, raakte vooraan klem en werd door de plotseling gereduceerde snelheid achteraan omhooggeduwd. De Chevrolet stuiterde tweemaal over de kop en kwam zo ongelukkig op het andere baanvak terecht dat er een kettingbotsing ontstond. Bij de hevige brand die erop volgde, vlogen zowat vijftig voertuigen in de fik. Van Leonard Cohen zelf bleef na het inferno nauwelijks iets over en wat men vond liet niet toe de precieze doodsoorzaak vast te stellen. Maar achteraf bekeken en rekening houdend met de vreemde omstandigheden en het tijdstip van zijn dood, mag u aannemen dat Leonard Cohen het tweede slachtoffer van The Houston Massacre was.