Vier dagen bleef de keizer in de stad hangen, vier dagen van feestvieren en wandelingen langs merkwaardige locaties. Hij bezocht de Onze-Lieve-Vrouwekerk – ik weet niet of hij de toren heeft beklommen – en legde de eerste steen voor de uitbreiding van het koor in westelijke richting. Verder nam hij een kijkje in het Sint-Michielsklooster en hij had veel aandacht voor de Burcht, die hij kennelijk wilde opknappen.
Achter de schermen hadden er heel wat gesprekken plaats tussen het stadsbestuur, binnen- en buitenlandse handelaars, diplomaten en leden van het hof. Discrete contacten meestal, die af en toe resultaat opleverden, maar even dikwijls om onduidelijke redenen afsprongen. Dürer slaagde er niet in iemand te benaderen om hem te helpen bij het vernieuwen van zijn jaargeld. Erasmus deed nochtans zijn uiterste best, maar het was niet makkelijk om tussen de vele hoogwaardigheidsbekleders die hun kleine machtsgebied als het centrum van de wereld beschouwden, de juiste persoon te vinden. Vele gemijterden die hij liever vermeed, nodigden hem uit, anderen die hij absoluut wilde spreken, lieten niet van zich horen.
Een uiterst aangename ontmoeting hadden we met Hernando Colón, zoon van de ontdekker van de Nieuwe Wereld. De man was al jaar en dag aan het hof verbonden, eerst als page, later als ‘geprivilegieerde’, wat dat ook mocht betekenen. Colón was al twee keer in de Nieuwe Wereld geweest, had Italië bereisd en stond overal bekend als een ontwikkeld man. Net als wij, Beatus, besteedde hij elke gulden die hij bezat aan boeken. Naar eigen zeggen speelde hij met het idee in Sevilla een grote bibliotheek op te richten waar hij alle kennis van de wereld, de Nieuwe incluis, zou bijeenbrengen. Je begrijpt dat we niet naar een gespreksonderwerp moesten zoeken. Ik nodigde hem uit naar mijn verzameling van intussen meer dan 300 boeken te komen kijken. Erasmus was er ook bij en het werd een aangename avond waarop vooral Colón het woord voerde. We kwamen alles te weten over zijn avonturen in de Nieuwe Wereld.
Maar de merkwaardigste ontmoeting hadden we met Joannes Faber, vicaris-generaal van de predikheren in Noord-Duitsland. De man was een vertrouweling geweest van de oude keizer Maximiliaan en deed zijn uiterste best om ook bij de nieuwe keizer in het gevlei te komen. Hij nodigde Erasmus uit voor een gesprek over de dwarsliggerij van Luther en de dreigende rebellie van de keurvorsten. Míj wilde hij spreken over de lutherse publicaties die in Antwerpen van de persen kwamen.
Nadat we elkaar hadden begroet – de ontmoeting ging door in het Huis van Liere – haalde Faber meteen een boekje uit zijn mouw dat hij met enige ergernis op tafel gooide. Het was de Condemnatio van Luther, gevolgd door diens antwoord erop en gedrukt door die merkwaardige Melchior Lotter junior uit Wittenberg. Erasmus trok het boekje naar zich toe en bladerde erin, alsof hij het ding nog nooit had gezien. (Ik had een exemplaar in mijn eigen bibliotheek zitten.)
‘Gedrukt in Wittenberg?’ vroeg hij op onschuldige toon.
‘Geen sprake van,’ zei Faber.
De Rotterdammer keek verbaasd op. ‘Wat staat hier dan?’
‘De Melchior Lotter die ik ken heeft dit ding nog nooit gezien. Iemand heeft zijn titelrand nagesneden en zijn naam erop gezet.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Het nasnijden is goed gebeurd, maar goed is niet perfect. Er zijn kleine afwijkingen met het origineel.’
‘Is dat mogelijk?’ mompelde Erasmus met opgetrokken wenkbrauwen.
‘Komaan, meester,’ deed Faber ongeduldig. ‘We moeten elkaar geen rad voor de ogen draaien. Dit ding is een piratenuitgave van een Antwerpse drukker.’
‘Waaruit besluit u dat?’
‘Het is alleen in Antwerpen gesignaleerd.’
Erasmus liet een stilte vallen. Ik zelf hield me gedeisd. Door het raam viel gefilterd licht naar binnen. De klokken van de Onze-Lieve-Vrouwetoren riepen de gelovigen naar de kerk.
Na enkele ogenblikken richtte Faber zich tot mij. ‘De keizer is zeer onder de indruk van de Antwerpse gastvrijheid, meester Gillis, en van de geleerdheid van de magistraten, maar tegelijkertijd voelt hij een zekere stugheid en, eh, zelfs weerstand telkens als hij het over de bestrijding van ketters heeft.
Ik draaide mijn tong drie keer om voor ik antwoordde: ‘U moet begrijpen, eerwaarde vader, dat de Antwerpenaren in dat conflict geen kant kunnen kiezen. Als we de Duitse handelaars voor het hoofd stoten, dan steken we het zwaard in onze eigen voet.’
‘En hoe verantwoordt u die houding tegenover Christus?’
Ik raapte al mijn moed bijeen. ‘Sommigen vinden dat de overheid alleen moet zorgen voor het lichamelijk heil van hun onderdanen, eerwaarde vader. En dat het geestelijk welzijn de onderdanen zelf aangaat.’
‘Ah,’ deed Faber sarcastisch. ‘De Italiaanse stijl. Bent u het daarmee eens?’
‘Veel verstandige mensen verdedigen die opvatting, eerwaarde vader.’
‘Dat was mijn vraag niet, meester Gillis,’ zei Faber scherp.
Daarop volgde een ongemakkelijke stilte. Erasmus had me opgedragen het achterste van mijn tong niet te laten zien, maar Faber deed echt uitdagend. Ik stond op het punt een tekst over verdraagzaamheid te citeren uit Mores Utopia, toen Erasmus plotseling voorover ging zitten en op vertrouwelijke toon zei: ‘Laten we elkaar niks wijsmaken, eerwaarde vader. Dit gesprek gaat niet over de orthodoxie van meester Gillis, dit gaat over de christelijke vrijheid. Luther beweert dat de christenmens zijn eigen verlossing niet kan verdienen. Zijn heil komt uitsluitend van God. Die stelling bestrijdt u en u bestrijdt ze terecht. Volgens de Kerk heeft de christenmens die vrijheid wel. Maar het punt is dit: wat is de waarde van zulke vrijheid als er geen keuze is? Hoe kan er vrijheid zijn, als de Kerk zíjn interpretatie van het geloof, ook al is het de juiste, te vuur en te zwaard oplegt?’
Faber maakte een geïrriteerd gebaar. ‘Ja, ja, dat weet ik allemaal wel. Maar dit is politiek, meester. Karel is door de paus benoemd tot defensor fidei. Daar zijn, eh, zekere consequenties aan verbonden. De paus verwacht dat hij optreedt. En dus zal hij volgende week zijn eerste plakkaat uitvaardigen en reken maar dat hij boekjes zoals dit meteen zal verbieden.’
Erasmus schudde het hoofd. ‘Dat is onverstandig, eerwaarde vader. Als hij ze verbiedt, worden ze veel interessanter dan ze nu zijn.’
‘Mij lijkt dat ze al interessant genoeg zijn, als Antwerpse drukkers Wittenbergse collega’s gebruiken om zichzelf in te dekken.’
Erasmus bleef het hoofd schudden. ‘U kunt Luther allicht uit de bibliotheken bannen, maar niet uit de harten van de mensen.’
‘Dat zal wel,’ hoonde Faber luidkeels, ‘maar hebt u een betere oplossing om die verdomde monnik het zwijgen op te leggen?’
De woorden zinderden na in de kleine ruimte. De plotselinge uitbarsting deed me schrikken, maar het leek me geen uitval van boosheid. Faber was gekweld. Hij ging gebukt onder zorgen die hem uit zijn slaap hielden. Zag hij in de toekomst dingen waar wij met onze beperkte Antwerpse blik geen zicht op hadden?
Erasmus ging verzitten en zijn stoel kraakte. ‘Er is een oplossing, eerwaarde vader, maar ik vrees dat ze geen genade zal vinden bij de leden van de Romeinse curie.’
Faber hief het hoofd op. ‘Waaraan denkt u?’
‘Breng het conflict terug tot een discussie onder theologen. Organiseer woord en wederwoord. Roep commissies in het leven, rek de zaak, schuif ze op de lange baan en begraaf ze onder quaestiones en responsiones. En – belangrijk! – verbreed intussen de stroom van orthodoxie binnen de Kerk. Geef ruimte aan andere manieren om God te eren en om Christus te volgen. En beperk het terrein van mensen als uw ordebroeder Hoogstraeten die zelfs regels wil opleggen aan de manier waarop christenen de liefde bedrijven.’
Faber reageerde niet. Hij nam de Condemnatio van de tafel, bladerde er een tijdje in en legde het boekje weer terug. Toen plooide hij zijn mondhoeken naar beneden. ‘Ik neem aan dat in uw visie op de kerkelijke orthodoxie – voor zover die nog orthodox is – een man als Hoogstraeten tot het verleden behoort. Maar uw visie is vooralsnog geen werkelijkheid, meester Erasmus, en dus zult u met de man rekening moeten houden. Wat uw voorstel betreft om een open discussie te beginnen…’
Faber bekeek de knokkels van zijn vingers, bracht zijn handen voor zijn mond bijeen en zei toen plotseling. ‘Ik zeg niet nee, maar ik ken maar één man die zo’n discussie op gang kan brengen. Hij heeft het aanzien van de paus, hij kent Luther, hij zit met één been in de Kerk en met het andere erbuiten. Hij beschikt over een wonderlijke woordenschat en een taalgevoel waarmee hij elke theologische discussie kan ondersneeuwen. Als de keizer op zo’n man zou kunnen rekenen…’
Erasmus hief zijn hoofd op. ‘U bent de zoveelste die me vraagt om tegen Luther te schrijven, eerwaarde vader. Maar ik ben niet Luthers rechter, noch zijn aanklager, noch zijn beschermer.’
‘En toch pleit u allebei voor een herwaardering van de bijbelse teksten. Het voorbeeld van Christus, weet u wel…’
Het klonk zo cynisch dat ik me verbijsterd afvroeg welk spel hier werd gespeeld. Het enige wat voor Faber kennelijk telde, was dat het probleem van de baan was. Hoe de eventuele oplossing eruit zag, maakte hem weinig uit, als er maar een oplossing kwam. Waarschijnlijk zou hij niet aarzelen zijn ordebroeder Hoogstraeten een mes in de rug te steken als het probleem daarmee van de baan was. En hij zou niet aarzelen met Erasmus hetzelfde te doen, mocht hij hem niet meer kunnen gebruiken.
‘Het is te vroeg om positie te kiezen, eerwaarde vader. Wie in een van beide kampen staat, kan niet meer bemiddelen.’
‘Denkt u er toch maar eens over na, meester.’
‘En wat doet u in afwachting?’
‘In afwachting leven we in deze maatschappij, meester, niet in die van Erasmus.’
Amper tien dagen later, Beatus, deed de keizer Leuven aan. Op zaterdag 8 oktober trokken de studenten theologie naar de winkel van Dirk Martens. Alle geschriften die van ver of van nabij iets met Luther te maken hadden, werden naar de Grote Markt gebracht, op een hoop gegooid en in brand gestoken. Een van de Leuvense theologen, Egmondanus, maakte zich onsterfelijk door zijn eerbiedwaardige rokken op te tillen en in de vlammenzee te urineren. Onze jonge keizer knikte goedkeurend.