Proloog Dodelijk Vuur
De tien Aarschotse ksj-jongeren die op de avond van de 30ste april ter hoogte van Rillaar in de richting van Scherpenheuvel stapten, hadden er geen flauw idee van dat hun jaarlijkse bedevaart op een helletocht zou uitdraaien. Acht van hen waren tussen de negen en de elf, de twee begeleidsters zestien en zeventien. Alle bedevaarders liepen op het fietspad. De kopman droeg een heen en weer zwaaiende rode lamp, de begeleidster achteraan een lichtgevende helm. Alle kinderen hadden windjacks aan met fluorescerende strepen.
De groep was omstreeks negen uur vertrokken en hoopte nog voor middernacht de tien kilometer lange tocht naar het bedevaartsoord af te ronden. In Scherpenheuvel wachtten drie bereidwillige ouders hen op, ieder met hun eigen wagen. Als alles goed ging, zouden de kinderen nog vóór één uur in bed liggen. Eén enkele moeder – die van Tom Wenders – had zich afgevraagd waarom de tocht zo nodig op een avondlijk uur moest plaatsvinden. Was bedevaarten overdag dan minder verdienstelijk? Maar Magda Wenders stond bij de leiding bekend als een zeurkous. En Tom zelf stelde de bemoeienissen van zijn moeder allerminst op prijs. Haar opmerking was zonder gevolg gebleven.
De vrachtwagenchauffeur, die de vorige dag vanuit Ampuriabrava vertrokken was, wilde zo graag de nacht in zijn eigen bed doorbrengen. En dus was hij in één ruk door Spanje, Frankrijk en België gereden, zonder zich om wacht- en rusttijden te bekommeren. Toch stond de man bekend als een uitstekend chauffeur. Zware ongevallen had hij nog nooit gehad, ten hoogste aanrijdingen met blikschade. Een dodehoekspiegel was aan hem niet besteed: bij het rechts afdraaien was hij altijd zo voorzichtig dat fietsers zowat honderd per uur moesten rijden, wilden ze onder zijn wielen terechtkomen.
Terug in België had de man zijn snelheid geminderd: af en toe doken flarden mist op en mist, daar was hij bang voor. Regen, sneeuwval, zelfs ijzel lieten hem onberoerd, maar mist, dat was andere koek. Bij het buitenrijden van de dorpskern van Rillaar reed hij nog amper veertig per uur.
De boer die wegens de ongunstige weersvooruitzichten tot laat in de avond op zijn veld had gewerkt en met zijn tractor richting Scherpenheuvel reed, was blij dat hij het zaadgoed nog in de grond had gekregen. Als hij morgen zijn werk een beetje verstandig aanpakte, kon hij met zijn vrouw naar de basiliek gaan. Gewoon de koeien wat vroeger melken en de varkens een dubbele portie geven, dan hadden ze tijd zat om heen en weer te raken. Misschien kon er zelfs een pintje af of een stuk Scherpenheuvelse peperkoek. Die lustte hij wel niet, maar een traditie was een traditie en na zoveel jaren gemis was hij bereid een inspanning te doen.
De tractor van de boer was van vooroorlogse makelij of daaromtrent. Elk voorjaar lapte de man hem consciëntieus weer op: nieuwe ontstekingskaarsen, verse olie, remleidingen, voor- en achterlichten, af en toe een nieuwe filter, en dat al zo’n vijftien jaar lang. Telkens opnieuw vóór hij naar huis reed, veegde hij ook de lichten schoon. Dat had hij ook op de avond van de 30ste april gedaan. Onderweg was hij nog gestopt om de stekker van zijn zelfgemaakte mistlamp in te steken: hier en daar dreven flarden melkachtige lucht over de weg.
Mocht het die dag dus wat regenachtiger zijn geweest, dan had de catastrofe nooit plaatsgehad. Dan was de bewolking blijven hangen en had het aardoppervlak minder warmte uitgestraald. De waterdamp zou zich niet omheen de stofdeeltjes hebben gecondenseerd en de aldus ontstane druppels zouden het licht niet hebben verstrooid.
En had die ene mistbank ook niet precies gehangen op de plaats waar de boer rechtsaf moest, dan was er evenmin iets gebeurd. Nu tuurde de man ingespannen in de witte duisternis om de plaats te vinden vanwaar een smalle asfaltweg hem naar zijn erf zou brengen. Toen hij de afslag in het oog kreeg, draaide hij scherp rechts en schrok zich rot van het rode zwaailicht dat plotseling aan zijn rechterkant opdook, zwaailicht, gedragen door de leidster van het groepje bedevaarders. De eerste reactie van de boer was: remmen dicht. Zijn tweede: waarschijnlijk had ik nog door gekund.
Was de groep jongeren dus niet zo goed verlicht geweest, dan had het ongeval vermeden kunnen worden. Dan was de boer de zijweg opgereden voordat de groep er aankwam. Maar nu hij gestopt was, moest hij wel wachten tot de hele bende gepasseerd was. Al die tijd stond zijn tractor in schuine positie op de hoofdweg. Daardoor – en natuurlijk ook door de mist – waren zijn lichten nauwelijks zichtbaar.
Mocht ook de vrachtwagenchauffeur wat minder alert zijn geweest, dan was de ramp nooit gebeurd. Dan zou de man zonder op- of omkijken de tractor hebben geramd, wat de jonge bedevaarders veel miserie en hun ouders veel verdriet zou hebben bespaard.
Maar omdat al die ‘alsen’ en ‘wellichten’ niet in vervulling waren gegaan, kreeg de vrachtwagenchauffeur, die bijna thuis was, zowat een beroerte toen het silhouet van de tractor plotseling in zijn blikveld opdook. De man ging bovenop zijn remmen staan, wierp een snelle blik op het andere rijvak, zag daar twee koplampen door de witte duisternis schemeren, gooide zijn stuur naar rechts, maaide een pas aangeplant beukenboompje en reed als een pletwals in op de groep jongeren die opgeruimd zingend en biddend in de richting van Scherpenheuvel stapten.
Jaren later nog zou de man de klap horen waarmee het hoofd van Hans Debuyzer op het fietspad sloeg en als een rijpe perzik uiteenspatte. Jaren later nog zou hij zich de sierlijke boog herinneren waarmee leidster Yannick Vandervoort door de lucht vloog, op zijn voorruit terechtkwam en daar een deuk in sloeg. Jaren later nog zou hij de obscene schokken voelen waarmee zijn bumper de frele lijfjes van Els Dewael en Zohra Moussawi van het fietspad maaide en een eind verder als afval in een gracht dumpte. Jaren later nog zou hij zich het verschrikte gezicht herinneren van Tom Wenders, die als bij toverslag onder zijn linkervoorwiel verdween, door het spatbord werd meegesleurd en als een dode tak geknakt werd.
Bij het zien van al die calamiteiten gebeurde er iets vreemds met de ongelukkige chauffeur. Om de een of andere reden milderde hij geen snelheid. Zijn voet bleek vastgeplakt aan het gaspedaal. Hoopte hij de catastrofe ongedaan te maken door te doen alsof ze nooit was gebeurd? Feit is dat de man na zijn vernietigende inslag in volle snelheid doorreed, nog twee beukenboompjes uitrukte, naar links uitweek, een eind verder zijn plaats op de rijbaan weer innam, tien minuten later thuiskwam, in zijn tuinhuisje ging zitten en daar de volgende ochtend huilend door zijn vrouw werd aangetroffen.
Op de plaats van het onheil was het intussen merkwaardig stil. De boer die met zulke goede vooruitzichten van zijn veld was gekomen, zat ongedeerd, maar als versteend op zijn tractor. De kinderen die niet gekwetst waren, stonden roerloos tussen de verminkte lichamen van hun vriendjes die over tientallen meters verspreid lagen, sommigen doodstil, anderen obsceen naschokkend, hun gekreun gesmoord in de door vocht verzadigde lucht.