Joris Tulkens

Fragment: Haastig oponthoud

De schepping van de mens

Het was in de tijd dat God nog geen oude man was, weggestopt in een bejaardenhome
en kwijnend van de gedachte dat zijn schepping er heel anders had kunnen uitzien.

Nee, dit verhaal begint op het ogenblik dat God nog in de fleur van zijn leven
was en eigenlijk maar één probleem had : hoelang zou hij zijn
schepping nog op de lange baan kunnen schuiven ? In zijn goddelijk hoofd stond
het schitterende decor al een tijdje te verkommeren : de bossen, de watervallen,
de zonsondergangen. Altijd was er wel iets dat hem van de laatste stap weerhield.

Gelukkig was God niet alleen. Goddelijke gedachten – dat is onder theologen
algemeen geweten – hebben de zijnsstatus en aangezien God over de eerste
mens al een welomlijnd idee had, kon hij met zijn toekomstig schepsel geregeld
lange gesprekken voeren.
“Voor mijn part,” zo zei op een ochtend de nog niet geschapen mens,
“voor mijn part mag het er zo langzamerhand van komen, God!”
Maar de Heer leek niet gehaast om op die suggestie in te gaan.
“God, hoor je me?”
“Wij hebben je gehoord,” zei de Heer, “maar wij denken na
voor we iets zeggen.”
De mens-in-wording – laten we hem Adam noemen, dan besparen we God wat
werk – Adam, dus, drong onmiddellijk weer aan: besef van tijd had hij
nog niet.
“God, heb je al lang genoeg nagedacht?”
Nu richtte de Heer een strenge blik op Adam.
“Geduld, mens, geduld! Er zijn problemen gerezen en die moeten eerst
opgelost. Ten slotte dragen wij de eindverantwoordelijkheid.”
Wanhopig sloeg Adam de handen in elkaar.
“God, met permissie gezegd, je bedriegt jezelf. We hebben het daar al
eens over gehad en je weet heel goed dat daar het schoentje niet knelt.”

God wachtte even om te zien of hij niet boos moest worden, maar kennelijk werd
hij niets gewaar en dus antwoordde hij: “Mogelijk, maar toch zal je geduld
moeten oefenen.”
“Zeg me dan tenminste wat het probleem is,” riep Adam uit.
“Weet niet,” zei God om van de discussie af te zijn.
“Weet niet, weet niet! Is dat nu een antwoord voor een God?”
“Wij hebben onszelf ook niet gemaakt,” antwoordde de Heer, daarmee
achteloos een zwaar metafysisch probleem scheppend.
Lange tijd bleef het toen stil. God keek verbolgen voor zich uit, Adam riep
doelloos tussen de decorbomen van de schepping door. Maar af en toe plukte hij
een takje en wierp het dan ostentatief weg.
“Hou daarmee op!” gebood de Heer kregelig.
“God nog aan toe,” antwoordde Adam, “ben je nu al boos als
ik een takje pluk? Kun je echt niet verdragen dat ik één vinger…”

Plotseling bleef hij staan.
“Godsamme, dat is het! De kunstenaar die van zijn werk niet los kan!
Mooie plaatjes, maar ze moeten in het atelier blijven! Is het dat, God? Al die
schoonheid gierig voor jezelf houden? Als het dat is, dan is het godgeklaagd!”

“Alsjeblieft, mens! Je weet bij benadering niet waar je het over hebt.
En je hebt al driemaal onze naam ijdel gebruikt!”
Nu schrok Adam toch. Gewoonlijk kon God nogal wat hebben, maar deze keer had
hij een gevoelige snaar geraakt.
“Sorry, hoor! Excuus! Pardon! Ik wou niet oneerbiedig zijn!” Hij
liet handig zijn mondhoeken trillen en slikte heel opvallend.
In tegenstelling tot menselijke boosheid, die jaren aanhoudt, duurt goddelijke
ergernis maar enkele seconden. De Heer zuchtte dan ook diep, zo diep dat het
geluid ervan tijdens een heldere zomernacht op een heidevlakte nog altijd te
horen is. Toen vroeg hij: “Waarom wil jij zo graag dat wij met onze schepping
uitpakken? Jij hebt toch alles wat je wil. Een frisse duik in het water? Wij
zorgen voor helder water en, geloof me, dat is schaars vandaag de dag. Droevig
of terneergeslagen? Wij zorgen voor ontspanning en vermaak! Jij weet niet in
wat voor paradijs je leeft!”
“Maar dat is juist zo vervelend, God, dat ik dat niet weet! Om te weten
wat het is ‘te hebben’, moet ik toch ook weten wat het is ‘niet
te hebben’?”
De Heer trok zijn wenkbrauwen op en antwoordde niet. Hij plukte een appel van
een boom, beet erin – gelukkig zat er nog geen goed of kwaad in – en gaf hem
solidair aan zijn waarschijnlijke mens door. Stilzwijgend wandelden ze door
tot aan een plaats waar Gods water over Gods akker liep.
“Zeg eens, God,” zei Adam toen, terwijl hij op zijn buik in het
gras ging liggen, “veronderstel nu eens dat je mij schept, wat zit er
dan méér in voor mij? Ik bedoel, méér dan nu?”

Goedmoedig keek God op zijn nieuwsgierige schepsel neer.
“Wij zullen proberen het je uit te leggen, mens. Neem nu die appel. Hoe
denk je dat je die proeft? En de grassprieten, hoe denk je dat je die ruikt?”

“Wel, gewoon,” zei Adam en hij stak zijn neus in het gras.
“Niet zo gewoon,” zei God. “Jij proeft niet echt, jij ruikt
niet echt, jij voelt niet echt!”
“Komaan,” deed Adam geïrriteerd.
“Nee, nee, mens, jij proeft omdat wij willen dat jij proeft. Jij voelt
omdat wij willen dat jij voelt. En dat lukt ons ook omdat er in onze goddelijke
gedachten volkomen vrijheid van verkeer is. Jij bent zowel Adam, als water,
als grasspriet. Terwijl de grassprieten evengoed appel als water als Adam zijn.
Alles één, alles harmonie. Jij kunt je niet eens voorstellen wat
het is, géén appel en géén water te zijn!”

“Ja, ja,” deed Adam aarzelend, “maar als ik geschapen ben,
dus wel!”
“Als je geschapen bent – en dat is het vervelende – zul je nooit nog
water of appel kunnen zijn! Dan is de eenheid onherroepelijk verbroken. Je zult
voor altijd zijn weggeworpen van de dingen en de dingen van jou! Afstand! En
al je nakomelingen zullen diezelfde scheuring tussen zichzelf en de dingen erven.”

“Da”s zonde,” zei Adam onverschillig.
“Juist,” zei God, “erfzonde!”
Zonder acht te slaan op die belangrijke theologische hint ging Adam dadelijk
voort met iets begerigs in zijn stem.
“Maar als ik geschapen ben, dan kan ik de dingen écht zien, écht
ruiken, écht voelen, niet? En dan kan ik ze zien als ik
het wil, niet?”
“Zo is het,” zei God berustend en hij nam Adams appel voorzichtig
uit diens handen om hem zuinig weer in een boom te hangen.
“Dat lijkt me toch niet zo vreselijk, hoor God!”
“Vergis je niet!” zo verhief God zijn stem. “De pijn is ondraaglijk.
Je nakomelingen zulen er dikke boeken over schrijven. Over het zieke dier dat
de mens is, over de onoverbrugbare afstand tussen hem en al de rest, over de
absolute eenzaamheid van het menselijk bestaan. Grote woorden voor een groot
tekort. Maar het is de prijs die je moet betalen om te zijn.”
“Kun je dat niet anders organiseren?” vroeg Adam sluw.
“Kan niet,” zei God hard, “ook wij zijn door deontologische
regels gebonden.”
“En zal ik het weten, dat van die pijn en dat heimwee? Of is dat praat
voor theologen en schrijvers?”
“Verdomd dat je het zult weten,” bulderde God verontwaardigd. Hij
verzamelde een pak wolken boven zijn hoofd, stak een vinger in de lucht en liet
zijn stem profetische allures aannemen. “Het is die pijn die het mensenras
vooruit zal drijven. Het is dat heimwee dat hij met elke paring wil verdringen
en door diezelfde paring vermenigvuldigen zal. Het is die onmacht die de geschiedenis
met bloed en tranen zal schrijven!” En een knetterende donderslag onderstreepte
de onfeilbaarheid van de voorspelling.
Adam sloeg op de vlucht en hield zich geruime tijd schuil om diep te kunnen
nadenken. Zo diep dacht hij na dat zeven dagen en zeven nachten verliepen voordat
hij honger voelde opkomen. En net toen hij een hapje aan het eten was, kwam
God weer op bezoek. De Heer wuifde al van ver.
“Wel, mens, heb je al eens nagedacht over ons laatste gesprek?”

“Ik heb niet anders gedaan, God!”
Adam at rustig door, terwijl God wat ongemakkelijk om hem heen draaide.
“En, mens, ben je al tot een besluit gekomen?”
“Mens, mens, ik heet Adam.”
God stond stil en keek hem verstoord aan.
“Waar en door wie is dat beslist?”
“Hier en door mij,” zei Adam met volle mond.
“Jezus!” zei God in een helder visioen en hij wendde zich af om
met zijn groot verdriet alleen te zijn.