Een van de kamerheren opent de deur en doet teken dat de kardinalen er zijn. Ik trek de Heilige Vader wat hoger op zijn bed, steek een kussen achter zijn rug en beloof dat ik het woord zal doen als er te veel tegenwind komt.
‘Ik dank u, Dirk.’
‘Mocht het al te erg worden, dan moet u maar in zwijm vallen.’
Ik laat de keur van kardinalen binnen, allemaal ernstige mannen, mateloos bezorgd om het welzijn van de Kerk, zal ik maar zeggen.
‘Wees welkom, eminenties,’ kreunt Adrianus.
‘Wij wensen u een spoedig herstel toe, Heilige Vader,’ antwoordt de leider van de groep, Giulio de’ Medici, een man die ik niet goed kan plaatsen. Hij behoort zeker niet tot ‘onze’ fractie, maar hij is ook geen rabiate tegenstander van Adrianus. Ik heb al enkele keren gepraat met hem – kardinalen praten zelden met mij − en dan blijkt hij wel bezorgd te zijn over wat er misloopt in de Kerk. Maar als ik dan vraag of hij Adrianus de geschikte man vindt om hervormingen door te duwen, dan zwijgt hij als vermoord – wat op zich ook een antwoord is.
Guilio neemt de leiding van het gesprek.
‘U hebt ons laten roepen, Heilige Vader?’
Adrianus krijgt een pijnlijke uitdrukking op zijn gezicht, wanneer hij een nieuwe kramp moet verwerken. Na enkele seconden richt hij zijn blik weer op de kardinaal.
‘Je ziet hoe ik eraan toe ben, Giulio. Ik zal niet lang meer leven en ik wil in schoonheid eindigen.’
‘God zal u in zijn goedheid opnemen, Heilige Vader.’
‘Dat kan ik alleen maar hopen. Wat ik je wil vragen is het volgende. Jullie zouden me een groot plezier doen, mochten jullie mijn datarius opnemen in het college van kardinalen.’
‘U bedoelt…’
‘Willem van Enckenvoirt.’
Tot nu toe hadden de andere kardinalen zich gedeisd gehouden, maar na het uitspreken van de naam Enckenvoirt klinkt er geroezemoes. Een van hen verheft zijn stem.
‘Dat kan niet, Heilige Vader. Dit is geen officieel consistorie.’
‘Maak er dan een van, Ambrosio. Ik ben uitgeput en ik wil dat rechtvaardigheid geschiedt.’
‘Enckenvoirt is niet geschikt, Heilige Vader. Hij strijkt iedereen tegen de haren in, hij favoriseert kennissen en familieleden uit de Lage Landen, hij geeft geen inlichtingen over de geldbesteding…’
De Heilige Vader heft zijn hand op.
‘En hij geeft niet toe aan jullie verspilzucht en aan jullie grootse banketten. In de Kerk die ík voor ogen heb, is hij een waardige dienaar.’
Duidelijker kan Adrianus het niet zeggen en zijn uitspraak valt slecht: er klinkt gemor en sommigen kardinalen beginnen naar voren te dringen om het woord te nemen. Adrianus heft nog eens zijn hand op.
‘Eminenties, het is een voorrecht van elke paus dat hij vóór zijn dood zijn eigen kardinaalstitel overdraagt aan een persoon van zijn keuze. Uw paus heeft op zijn sterfbed maar één wens, namelijk dat die persoon Willem van Enckenvoirt heet.’
Giulio de’ Medici slaat een verzoenende toon aan.
‘Heilige Vader, misschien kunnen we Enckenvoirt nog wel verdragen, maar hoe moet het met de Kerk na uw opgang ten hemel? Al een hele tijd worden wij dom gehouden. U regelt alles met uw Brabantse entourage. Niemand van ons weet hoe het zit met de financiële toestand van uw “nieuwe Kerk”.’
‘Dat kan ik u snel zeggen, Giulio. Die nieuwe Kerk is arm zoals Christus arm was.’
‘Heilige Vader, u hebt het afgelopen jaar bijna niets uitgegeven. Waar zit het geld van de aflaten, van de collectes in de kerken, van de schenkingen die stervenden aan God hebben gedaan?’
‘Ook dat kan ik u meteen zeggen, Giulio.’
Adrianus is bijna buiten adem en legt zich achterover op het kussen. Vanuit die positie fluistert hij: ‘Al het geld is opgegaan aan de oorlog tegen de Fransen en aan de schulden die Leo x heeft gemaakt bij schilders, beeldhouwers en bouwmeesters.’
‘Dat kunnen wij niet geloven!’
‘Zeg ons waar het geld zit!’ gebiedt Ambrosio.
‘Waar is de schatkist?’ roept Joannes.
Adrianus geeft geen reactie meer. Hij heeft zijn ogen gesloten en zijn hoofd opzij gelegd. Ik heb hem beloofd het heft in handen te nemen en dat doe ik ook. Als de kardinalen Adrianus de duivel willen aandoen, dan zet ik me boven onze ruzies.
‘Eminenties, het staat u vrij om het hele pauselijke paleis te doorzoeken. Alle deuren staan open. Mocht u geld vinden, laat het ons dan weten. Maar in ruil daarvoor vraagt de Heilige Vader uw goedkeuring van de benoeming van Enckenvoirt.’
Mijn God, nu zit ik de benoeming van Enckenvoirt te verdedigen.
‘Niet alle deuren staan open, Hezius! Er is één kamer hermetisch afgesloten!’
‘U bedoelt de kamer in de Borgiatoren, de studeerkamer van de Heilige Vader?’
‘Precies!’
‘Daar worden geheime stukken bewaard die alleen de volgende paus mag lezen. Iemand van u, dus.’
‘Die geheime stukken interesseren ons niet. Wij willen de geldkist!’
Mijn God, dit wordt moeilijk. Adrianus zelf geeft intussen geen teken van leven meer, maar daar maakt geen enkele kardinaal zich zorgen om.
‘Goed. Ik heb hier de sleutel van de kamer in de Borgiatoren. En hier is het document van de benoeming. U kunt me overvallen en de sleutel afpakken, maar u kunt zich ook waardig gedragen en het document ondertekenen. Dan geef ik u de sleutel.’
‘Hoe kun jij dat beslissen, Hezius. Jij bent een gewone secretaris…’
‘… die van de Heilige Vader de opdracht heeft gekregen dit in vrede af te handelen.’
Na nog wat protest gedragen ze zich waardig. Het document wordt ondertekend door de voorzitter, de secretaris en twee getuigen van het niet-officiële consistorie en een ogenblik later zwermen de heren uit over de pauselijke vertrekken. Zodra ze de deur uit zijn, opent Adrianus zijn ogen.
‘Hebt u het gehoord, Heilige Vader?’
‘Woord voor woord, Dirk. God beware zijn Kerk.’
‘Dat bid ik met u.’
‘Laat de naam van Willem zo snel mogelijk opnemen in de lijst. En nog iets, Dirk!’
‘Ja?’
‘Ik dank je, bijzonder gemeend.’ In de vooravond druppelen de kardinalen weer naar binnen, ontgoocheld over de resultaten van hun zoektocht. Kardinaal Armellini heeft in de studeerkamer van Adrianus een goede achthonderd dukaten gevonden, kardinaal del Monte is in de kapel op tweehonderdvijftig dukaten gestoten, sommigen hebben de offerblokken in de basiliek leeggemaakt, anderen de kasten in de Vaticaanse keukens. Geen spoor van een geheime bergplaats. De meesten zijn er langzamerhand van overtuigd geraakt dat de Kerk van Adrianus inderdaad een arme Kerk is geworden. Ze dringen niet langer aan.