Joris Tulkens

Fragment: Het leven een feest

Bril af!

Februari. Zondagvoormiddag.
Mistbanken over het stadspark. Berijmde draden tussen elektriciteitspalen.
IJle kreten in de winterse lucht. Op het sportveld lopen, springen, roepen tweeëntwintig
zonen. Het spel dat ze spelen, is de eenvoud zelf: waar de bal is, daar zijn
zij. Komt het ronde ding deze kant op, dan roffelen veertig jongensvoeten hiernaartoe;
stuitert het in de richting van het kerkhof, dan dokkeren de voeten gedwee naar
de overkant.Die merkwaardige volgzaamheid is de enige constante in het spel.
Voor de rest is niet uit te maken wie of wat de grillige bewegingen ervan bepaalt.
Is het de zwarte man die de hele tijd achter de meute aanzit? Zijn het de zonen
zelf die de bal met forse trappen voor zich uit schoppen? Of zijn het de bevroren
bulten, die de nachtvorst kris kras over het speelveld heeft gelegd?
Naast het terrein staan de vaders, hun kragen tot aan de randen van hun hoeden
opgetrokken. Ze wrijven in hun handen, stampen met hun voeten en omhelzen zichzelf
met weidse armbewegingen. Soms staan ze stil en lozen witte ademwolkjes, als
ze het spel van hun zonen bespreken. Hun opmerkingen zijn altijd dezelfde. Zonen
van aanwezige vaders spelen prima, zonen die dat voordeel missen, verdoen hun
tijd. De scheidsrechter is in een zeer slechte dag. Het tactische plan van de
trainer verraadt een absoluut gebrek aan voetbalkunde. De zonen moeten opdraven
in posities die hun helemaal niet liggen. Ze hebben de grootste moeite er nog
iets behoorlijks van te maken. Al bij al is de twee-nul achterstand nog verdienstelijk.
En dan wrijven de vaders weer in hun handen en ze stampen met hun voeten en
ze omhelzen zichzelf met weidse armbewegingen.
“Dag, Hugo.”
“Dag.?
“Hugo, mijn deelneming.”
“Gecondoleerd, Hugo.”

Ik voeg me bij de vaders en kijk uit naar Bart die ergens op het middenveld
loopt. Ik hoef niet lang te zoeken. Mijn vrouw zegt dat Bart veel te dik is
om te voetballen. Dat hij zijn plaats in het elftal uitsluitend dankt aan het
sponsorgeld dat ik stommelings in de ploeg stop: Elektrohandel Staelens, vooraan
op hun truitjes. Maar mijn vrouw kent niets van voetbal. Ze weet niet dat zonen
moeten leren vechten in het leven.
“Hoe is de stand?”
“Nul-twee.”
“Maar ze liggen niet onder.”
“De linksbuiten van die mannen is heel sterk.”
Bart holt zonder veel overtuiging achter een ongrijpbare tegenstander aan. De
zeldzame keren dat de bal hem voor de voeten springt, trekt hij zijn armen en
schouders hoog op, alsof een nijdige keffer hem in de kuiten dreigt te bijten.
Het is zoals de vorige week. En de week daarvoor. En daarvoor.
En weer komt die vreemde afkeer in me op die ik de laatste weken zo dikwijls
ervaar als ik mijn zoon over het veld zie dwalen. Ik weet dat Bart geen talent
is, maar dat is niet het ergste. Bart bijt niet van zich af. Bart trekt zijn
voet terug. Bart laat zijn schouders hangen. Dat is het ergste.
“”t Is nog vlug gegaan, hé Hugo.”
“Ja, “t is vlug gegaan, maar “t was beter zo. Hij zag teveel
af.”
“Kanker in de lever, hé?”
“Ja.”
“Was hij geen vijfenzestig?”
“Zesenzestig.”
“Toch jong, hé.”
Ik knik en zwijg. De herinnering aan de dood van mijn vader roept geen emotie
in mij op. Het is alleen maar een herinnering.
Vier uur. De tafel in de eetkamer. De geur van boenwas. Het rapport voor
mij. Het gerommel van moeder in de keuken.
Vijf uur. De zonnevlek op het rapport. Het geluid van een bromvlieg, gevangen
tussen gordijn en vensterglas.
Zes uur. De sleutel in het slot. Mijn maag die krimpt. Zijn stem in de keuken,
veel luider dan gewoonlijk. De deur die openvliegt: mijn vader, groot en scherp,
in een wolk van bier en sigarettenrook.
Hij bekijkt het rapport. Ziet de zessen en vijven.
De woede in zijn ogen. Zijn onmacht als hij hijgend achter mij aanzit en mij
niet te pakken krijgt.
Tot ik het niet meer verdraag en val en zijn zware hand in mijn nek voel.

Ik ben nog geregeld op bezoek geweest, later, toen ik zelf een zoon had en
de rancune door de jaren gesleten was. Maar het contact had niet meer aan een
behoefte beantwoord. Er was teveel gebeurd.
Bij leven was Julien Staelens een grote magere man geweest. Onderwijzer. Later
schoolhoofd. Vaders, zonen en kleinzonen had hij leren lezen en schrijven. Karaktervorming
had hij er gratis bijgegeven en daar hebben zijn leerlingen hun hele verdere
leven hun voordeel mee gedaan.
Zo had de burgemeester het verleden jaar op de afscheidsviering nog gezegd.
Zo had hij het verleden week op het kerkhof herhaald.
En ik heb gezwegen en geknikt. En ook mijn moeder heeft gezwegen en geknikt.

En niemand anders heeft het ooit geweten.
“Twee – één!”
“Mooie doorsteekpas!”
“En verdiend, hé.”
“Ik zei toch al dat ze niet onderliggen.”
De vaders klappen in hun handen. De zonen lopen naar hun kamp terug en werpen
trotse blikken naar de zijlijn. Ook Bart kijkt. Ik steek een duim in de lucht.
Als er weer is afgetrapt, loopt hij moedig op zijn tegenstander af, duwt enkele
spelers omver en kijkt dan triomfantelijk naar mij.
Ik zucht en schud het hoofd.
“Wat gaat madame nu doen, Hugo?”
“Blijven wonen waarschijnlijk, zolang ze goed is.”
“Dat is het beste voor zo”n mensen, dat ze in hun gewone doen blijven.”

Ik weet niet of mijn moeder verdriet heeft gehad. In de kerk en op het kerkhof
heeft ze de hele tijd stuurs voor zich uit gekeken en ook later, op de familiemaaltijd,
heeft ze geen traan gelaten. Maar dat had ze van heel haar leven nog niet gedaan.
Volgens mijn moeder werd niemand boven zijn krachten beproefd. Dat was haar
overtuiging en die vertaalde ze voor mij tien keer per dag in een eenvoudig
“geen complimenten”.
Ik herinner mij dus goed de keren dat ik wel een barstje in haar harnas ontdekte.
Die keer dat ze mijn rug met kippevet moest insmeren.
Het pad door de tuin. De deur van het schuurtje. Het dichtvallen van de
deur. Het ranzige zweet van mijn vader. De dubbelgeplooide leren riem. De slagen op mijn rug. Tien. Zeven. Vier. Ik tel ze af. Twee. Een.
Tien slagen. Het rantsoen van elke week.
Maar die keer ging hij door. Tot twaalf. Tot vijftien. En maar door.
Ik raak in paniek. Draai me om en zie de radeloosheid in zijn ogen. Een drenkeling
die zijn laatste houvast verliest.
Niet kijken! Ik wil niet dat je kijkt! Zeventien. Achttien. Ik zal je leren
kijken!
Ik huil van de pijn. En van de angst. Twintig. Eenentwintig. Angst omdat de
man die mij slaat mijn vader niet meer is, maar een vreemde. Iemand die geen
recht heeft.

Die avond heeft ze me voor de eerste keer moeten verzorgen. Kippevet op mijn
rug. Goed uitgesmeerd. En terwijl ze het deed, trilde haar onderlip.
In het dorp was geweten dat meester Staelens sloeg, maar omdat het met mate
gebeurde, had niemand er ooit opmerkingen over gemaakt. Bovendien, klappen om
de oren, getokkel op de vingers, onschuldige knepen in de armen, voor de dorpsmensen
waren dat straffen die ze zich uit hun eigen jeugd herinnerden en dus lieten
ze het maar zo. De beste opvoeding is toch altijd diegene die men zelf heeft
doorstaan.
Alleen de laatste jaren waren er wel eens klachten geweest. Inwijkelingen uit
de stad meestal. Mensen die beweerden dat meester Staelens de persoonlijkheid
van hun kinderen aantastte. Maar de burgemeester had de incidenten altijd in
goede banen weten te leiden.

Halftime fluit de man in het zwart en de zonen haasten zich naar de zijlijn
waar hun ploegverantwoordelijke dikke truien en warme chocomelk uitdeelt. Ook
de vaders slenteren naderbij. Gewoonlijk is er chocomelk te veel.
De zonen staan in groepjes bij elkaar, huppelen ter plaatse of bespreken met
de handen in de heupen de taktiek voor de tweede speelhelft.
Ik neem Bart apart.
“Je moet één man kiezen, Bart. De nummer zeven, da”s
jouw man. Hij kan je niets maken, je bent veel sterker dan hij. Niet lossen,
zeg ik. Kom hier, dat ik je bril afveeg.”
Die bril is een handicap. Ik weet wat het is. Ik heb zelf een bril gedragen
van toen ik tien was. Een dure van vijfhonderd frank. Mijn vader heeft hem altijd
ontzien. Bril af, zei hij, voordat hij zijn eerste klap gaf. Bril af. Op die
ene keer na, toen hij sloeg nog voordat de deur van het schuurtje dicht was.
De bril die van mijn gezicht vliegt. De stukken glas op de grond. Mijn vader die de leren riem weggooit en de platte lat pakt. Armen weg! Doe die armen weg! Maar ik houd mijn armen boven mijn hoofd en vang de slagen op. Twee slagen. Drie slagen. Meer slagen. Tot de scherpe kant van de lat op mijn onderarm kraakt. Pa, mijn arm! Nog één keer slaat hij met het afgebroken stuk. Dan valt hij stil en kijkt hijgend naar mijn arm en naar de hand die er onder een vreemde hoek aan vastzit. Hij pakt mij voorzichtig bij mijn schouders. Houdt de deur van het schuurtje open. Laat mij voorgaan door de achterdeur van het huis. De schrik in de ogen van mijn moeder als ze mijn arm ziet hangen. De haat waarmee ze naar mijn vader kijkt. De volgende keer neemt ge mij maar! Dat zegt ze. En ze scheurt mijn hemd en wrijft wat vuiligheid op mijn knieën. En gij zwijgen, gij, bij den doktoor! Altijd zo wild op zijn fiets, zegt ze tegen hem.
“Goed zo, jongens.”

“Niet opgeven!”
“Ik zeg u, daar komt een doelpunt van.”
“Ze komen terug.”
De zon lost de mistlaag op, het spel is nu beter te volgen.
Bart zit inderdaad achter de nummer zeven aan, maar raakt geen bal.
Ik sluit mijn ogen en luister naar de commentaren. Over Bart zeggen de vaders
niets meer.
Nog een geluk dat de jongen een goed hoofd heeft. Ik bewaar zijn rapporten zorgvuldig
in de buffetkast, al weet hij daar zelf niets van. Hij wordt door zijn moeder
al genoeg verwend.
Ikzelf leerde niet goed, tot grote ergernis van mijn vader die mij ten minste
als regent in zijn voetsporen zag treden. Toen mijn resultaten in het middelbaar
dat plan kelderden, werden de uitstappen naar het schuurtje bijna dagelijkse
kost.
Wat ik wél kon, telde niet voor hem. Hardlopen bijvoorbeeld. Tussen mijn
twaalfde en mijn vijftiende liep ik alle afstanden. En behaalde prijzen. Enkele
keren stond mijn foto in het plaatselijk nieuws.
Hij heeft er nooit een woord over gezegd. Misschien besefte hij dat ik toen
al bezig was van hem weg te lopen.
De laatste keer. De tocht over het tuinpad. Ik voorop nu. Sinds een paar
maanden al.
Ik zet mijn bril af, ontbloot mijn rug, steun met mijn handen op de rugleuning
van een stoel.
Ik bewijs een dienst aan mijn vader.
De eerste slag. De tweede. De derde. Dan is de pijn weg.
De vijfde. De zesde. Hij verdubbelt zijn geweld.
De zevende. De achtste. Hij kreunt.
De negende slag. En dan de laatste.
Ik wacht zijn teken niet af, kom overeind en steek mijn hemd weer op zijn plaats.
Kijk hem recht in de ogen.
Ging het, pa?
Hij snakt naar adem, valt op een stoel neer en blijft de hele avond in het schuurtje
zitten.

“Twee-twee!”
“Het wordt nog spannend!”
“Gezien van die voorstopper? Vuil, hé?”
“Zwakke scheidsrechter.”
“Jamaar, hij gaf voordeel van de bal.”
“Dat moet hij niet doen bij die jongens. Binnenkort denken ze dat ze alles
mogen.”
Bart loopt achter zijn ploegmaats naar het midden en balt zijn beide vuisten
op heuphoogte als een profvoetballer die zich voorneemt nu tot het uiterste
te gaan.
Als hij zijn plaats weer heeft ingenomen, kijkt hij stiekem naar mij.
Wat dacht ik, twee weken geleden, toen ik naar het uitgeteerde lichaam van
mijn vader keek en nauwelijks in staat was te lezen wat ik in mijn handen hield?
Mijn moeder had een oude schoendoos binnengebracht. Gevonden in het schuurtje,
zei ze en ze ging de kamer uit en trok de deur achter zich dicht. Ik heb de
doos geopend. Ze zat vol vergeelde krantenknipsels. Twintig jaar oude knipsels
met foto’s van mij, krantenkoppen waarin mijn naam werd genoemd, artikels over
mijn overwinning in de scholencross van Brabant en mijn tweede plaats in het
nationaal scholierenkampioenschap. De regels waarin de naam van Hugo Staelens
voorkwam, waren met rood onderstreept.
De hele nacht heb ik roerloos naast mijn vader gezeten, de knipsels in mijn
hand. En mij meer dan ooit afgevraagd waarom die man zijn liefde op zo”n
vreemde manier had moeten tonen.
“Hoelang nog?”
“Twee minuten.”
“Het zit er niet meer in, denk ik.”
De hele ploeg is nu in de aanval getrokken. Alleen Bart is met de nummer zeven
in de buurt van de middencirkel blijven hangen. Langs de zijlijn rukken ook
de vaders op.
En dan gebeurt het.

Bevrijdingstrap van de tegenstander, de bal keilt hoog in de lucht. Als hij
weer op de grond komt, springt hij binnen het bereik van de nummer zeven, die
er snel mee naar het doel oprukt. Bart ernaast. Valt de zeven niet aan. Verstandig,
denk ik nog.
Tot ik de doelman zijn lijn zie verlaten.
De zeven struikelt, verliest de bal en maakt het allerergste mogelijk: Bart
speelt terug naar zijn doelman en duwt de bal in een verlaten doel.
Elf jongens maken gekke sprongen in de lucht, vijf of zes anderen zakken uitgeput
neer.
Ik staar naar het veld en haal diep adem.
Een gevoel van afkeer zet zich vast in de zenuwknoop boven mijn maag. De afzijdigheid
van de vaders als ze zwijgend naar de kantine trekken. De woede van de doelman.
De manier waarop Bart van het veld stapt, een smekende blik in zijn fletse ogen,
de bril in zijn linkerhand. Ik probeer ze te ontwijken, die ogen. Ik verdraag
ze niet.
Maar als een priem dringt zijn blik in mijn herinnering en kerft in de bolster,
waarin ik de ontoelaatbare gevoelens voor mijn vader heb opgeborgen. Kijk niet!
Ik wil niet dat je kijkt! Ik hoor weer het geroep. Ik ruik het ranzige zweet.
Armen weg! Doe die armen weg!
En dan scheurt de herinnering open. Dan stromen alle haat en afkeer over mij
heen en sleuren mij mee, terwijl ik wild om me heen sla, zoekend naar een laatste
houvast.
En als mijn hand dan het gezicht van mijn zoon raakt, is het niet mijn hand
die hem slaat, maar de hand van mijn vader die mij sloeg en de hand van zijn
vader die hem sloeg en de hand van alle vaders die ooit hun zonen hebben geslagen.
Onbeheerst.
Als de armslag van een drenkeling.