Joris Tulkens

Fragment: In de ban van Mohammed – brieven uit de Arabische wereld

24 Aan Rutger Rescius

In deze brief aan zijn Leuvense vriend Rescius breekt Cleynaerts een lans voor het aanleren van Latijn vanuit de praktijk van alledag – met weinig nadruk op spraakkunst en woordenschat, met veel aandacht voor korte Latijnse zinnetjes die elke dag herhaald worden. Op het einde van de brief geeft Cleynaerts nog wat interessante inlichtingen over zijn dagindeling.

Évora, 28-29 maart 1535

Nicolaes Cleynaerts stuurt zijn vriend Rutger de beste groeten.

Het is vandaag Pasen, mijn beste Rescius, en ik zou mezelf eigenlijk op goddelijke zaken moeten concentreren, maar ik vind het altijd aangenaam met jou een babbeltje te maken. Wat moet ik eigenlijk zeggen om je de indruk te geven dat ik je brief tot in detail beantwoord heb? Wat ik bedoel? Wel, ik ben bang net als het varken Minerva te onderwijzen.[1]

‘Hoezo?’

‘Wel, ik heb het over je zoon Jan. Hier in het huis van de aartsdiaken, mijn gastheer, loopt er een pienter kereltje rond, zoon van een Franse vader[2] die goed bevriend is met de aartsdiaken. Zodra ik het talent van de jongen had opgemerkt, vroeg ik: ‘Waarom leert Denis eigenlijk geen Latijn?’

De vader, handelaar in Lissabon, wilde liever dat hij de plaatselijke taal goed zou leren schrijven, maar ik slaagde er makkelijk in hem van gedacht te doen veranderen.

‘Maar hoe kan hij Latijn leren, wanneer zijn eigen schoolmeester geen Latijn spreekt?’

‘Ik neem hem mee naar huis,’ zei ik. ‘Hij moet er alleen voortdurend bij zijn als we zitten te eten. Zo kan hij aan de taal wennen.’

‘En zal hij zo Latijn leren?’

‘Waarom niet? Jullie kennen toch ook Portugees, nietwaar? En hebben jullie daarvoor een andere leraar gehad dan de praktijk van alledag?’

‘Neen, maar Latijn, dat is toch andere koek.’

‘Dat is krek hetzelfde. De Romeinse jongeren leerden hun Latijn vroeger ook op die manier.’

Kortom, we spraken af dat de jongen elke dag naar mijn kamer zou komen. Zo ging mijn plan eigenlijk van start voor de grap, eerder om me te amuseren dan om er een serieuze onderneming van te maken. ‘Heb je hem dan geen verbuigingen en vervoegingen bijgebracht?’

‘Geen sprake van!’

‘Vertel me dan eens hoe jij dat Portugese jongetje hebt aangepakt, jij die nog geen fatsoenlijke Portugese zin gezegd krijgt.’

Wel, ik heb een schriftje aangelegd en daarin schreef ik enkele zinnetjes zoals: ‘Salve, domine, ut vales?’ – ‘Bene, ex animi sententia.[1] De jongen las die zinnetjes en terwijl wij aan het eten waren, zegde hij ze uit het hoofd op en declameerde ze zelfs. Best mogelijk dat hij hier en daar een woord niet begreep, maar hij nam toch de gewoonte aan onmiddellijk ‘Salve, Domine[2] te zeggen telkens als hij me tegen het lijf liep. Ikzelf antwoordde dan altijd in het Latijn: ‘Et tu quoque, vales recte?[3] Zijn antwoord bleef dan ergens hangen en omdat ik de juiste formulering in de volkstaal niet kende, leerde ik hem een gebaar aan waardoor hij wist wat hij moest antwoorden: ‘Etiam, domine.[4]

De volgende dag gingen we daarop door: ‘Quomodo valet dominus Archidiaconus? Fecit rem divinam? Ubinam est? Domi an in templo?[5] Die zinnetjes las hij ook uit zijn schriftje voor. Voor de lol gooide ik er bij wijze van grap ook wat Grieks doorheen: ‘Πῶς ἔχεις, ϕίλε; Καλῶs;’ – ‘Kat γνώμην, ὡς δύναμαι καὶ μὴ ὡς βούλομαι.[6] Ik las die zinnetjes voor en hij zei ze na zonder ook maar één Griekse letter te kennen. Zodra hij het eerste woordje zag, dreunde hij het zinnetje op: ‘Πῶς ἔχεις, ϕίλε;[7] – en dan volgde de rest.

Om een lang verhaal kort te maken, langzamerhand maakte de jongen vorderingen, zowel door de praktijk van alledag als door de lectuur van die dagelijkse dialoogjes. Hij verstaat nu al alles wat we bij het eten bespreken. Bij mij hoort en spreekt hij alleen maar Latijn. Soms praat ik een uur lang met hem. Hij begrijpt alles perfect en neemt gepast deel aan de conversatie. Thuis hoort hij niettemin nooit iets anders dat Portugees.

Waarom zou je zoon Jan dat niet lukken? Hij moet thuis toch meer Latijn dan Vlaams horen spreken? Was hij míjn zoon, dan stak hij geen vinger naar een spraakkunst uit, voordat hij de taal door de dagelijkse praktijk onder de knie had gekregen. Hij is nu 7 jaar: schrijf voor hem elke dag wat zinnetjes op over zaken die zich bij jou thuis afspelen. ‘Ioannes, ubi est mater?’— ‘In culina.’— ‘Quid agit ancilla?’— ‘Concinnat lectos.’— ‘Abi, defer hunc libellum ad praelum.’[8]

Elke dag zal zijn eigen les meebrengen. Langzamerhand zal hij zulke vorderingen maken dat het voor hem volstaat de spraakkunstige regels zelf te lezen. Misschien heeft hij ze zelfs niet meer nodig. Het resultaat van zijn studie zal niet slecht zijn als hij in vier jaar tijd misschien ‘niet geheel samenhangend’ praat, om het zo te zeggen. Maar welk gevaar schuilt erin als hij die fouten pas op zijn tiende verbetert? En welke last heb je de jongen intussen bespaard, als je hem op die manier onderwijst? Lange uiteenzettingen moet je wel vermijden: de maximale lengte van de zinnetjes bedraagt het best zes of zeven woordjes. Bovendien moet je alles ‘op de wijze van een dialoog’ noteren. En het maakt niet uit of er op de afzonderlijke bladzijden misschien alleen maar stukken van dialogen staan.

Maar ik ben een stommeling, mijn beste Rutger, dat ik je zoiets uitleg. Maar om me in dezelfde brief voor de tweede keer als een stommeling te gedragen, nog dit: als Quintilianus hier vandaag nog bij was, zou hij het niet aanraden onze Jan met Grieks te laten beginnen. In zijn tijd waren de omstandigheden heel anders dan nu. Vandaag de dag leert niemand die taal nog via de praktijk van alledag. Ik wil je graag nog een ander verhaal vertellen om er jou nog meer van te overtuigen mijn raadgevingen niet in de wind te slaan. Er is hier een jongetje van vier; zijn vader kent voldoende Latijn. Die heeft zijn zoon vanaf heel jong de taal geleerd op dezelfde manier als gewone mensen hun eigen moedertaal leren. Het leek ons een mirakel. Al een jaar geleden citeerde hij voor mijn prins uit zijn hoofd stukken tekst uit het tweede boek van de Aeneis. En de toespraak van Laocoön droeg hij voor met zoveel zelfvertrouwen dat de auteur zelf het niet beter had gekund. Toen hij verderging en de rol van de dichter speelde met het vers:

‘zo sprak hij en met volle kracht (slingerde hij) zijn enorme lans’

meende ik het wapen voor mijn ogen te zien trillen. Zo mooi beeldde hij die beweging uit. Wat je ook zal verbazen, is dat hij uitstekend het onderscheid kent tussen de geslachten en de tijden. In geen enkel opzicht doet hij het slechter dan jongens van 9 jaar bij ons. Met dit verschil dat hij door zijn jeugdige leeftijd een minder uitgebreide taalkennis heeft. Enkele dagen geleden lunchte hij bij ons met zijn vader. Op mijn vraag groette hij me de volgende dag met een kort briefje. Ik stuur je het papiertje zelf. Dan kan je nog meer goede hoop koesteren voor je zoon Jan. Zolang hij zijn heil maar eerder zoekt in de praktijk dan bij die beulen van grammatici.

Het beste, mijn Rutger! Ik schreef deze brief zowel gisteren als vandaag. Ik bedoel daarmee Paasmaandag. Want gisteren heb ik mijn geschrijf moeten onderbreken voor het avondeten en ik heb niet de gewoonte daarna nog een boek ter hand te nemen, zelfs niet om in te kijken. Als ik voor acht uur naar mijn kamer terugkeer, kruip ik meteen in mijn nest. Ik studeer zo graag vóór zonsopgang dat ik liever het eerste uur om een kaars vraag dan ’s avonds bij het licht van een lamp te werken.

Mijn dierbare vriend, stuur mij alsjeblieft een lange brief terug en klets wat met mij over luchtige onderwerpen zoals we dat vroeger gewoon waren. Évora, de dag na Pasen, 1535.