Situering: Filips, die samen met doña Juana door de cortes tot wettige troonopvolger werd aangesteld, is uit Spanje vertrokken en heeft er zijn zwangere vrouw achtergelaten. Die is intussen bevallen en wil naar haar man in Vlaanderen vertrekken. Maar dat strookt niet met de plannen van de zeer katholieke koningin Isabella, die wil dat haar dochter Juana alléén over Spanje regeert.
Maar dan plotseling, in de tweede helft van de maand november, ontvangt doña Juana een brief van haar man! Don Felipe, haar lieve Felipe, heeft haar geschreven! Hij is vanuit Innsbrück naar Brussel teruggekeerd en hij verwacht haar zo snel mogelijk in het aartshertogelijk paleis op de Koudenberg! De prinses is door het dolle heen. Ze loopt door de gangen van het kasteel, trommelt dienaars en hofdames op, laat koffers aanslepen, muildieren uithalen, paarden optuigen. Felipe heeft haar geroepen! Als een lopend vuurtje gaat het door het kasteel: we vertrekken! We vertrekken naar Vlaanderen!
Fonseca, opgeschrikt uit zijn verveling, ijlt naar de vertrekken van de prinses. Sinds wanneer gaan jonge vrouwen op reis zonder afscheid te nemen van hun ouders? De aartshertogin zou toch tenminste kunnen wachten op de komst van haar moeder! Het is trouwens al laat op de middag en verder dan Valladolid kan de karavaan niet meer komen. Bovendien is de vloot pas voor het volgend voorjaar besteld.
De prinses luistert niet. Na zoveel maanden geduld is haar geest gefixeerd op één ding: zo snel mogelijk naar don Felipe reizen! Als de vloot niet in gereedheid is, dan zal ze door Frankrijk gaan! Haar echtgenoot is niet in oorlog met Lodewijk en bovendien is ze goede maatjes met diens echtgenote, Anna van Bretagne. Niemand zal haar een strobreed in de weg leggen!
Fonseca schudt het hoofd bij zoveel onzin en waarschuwt de poortwachters. Desnoods moeten ze de prinses met geweld tegenhouden. Op de binnenplaats zijn dienaars bezig paarden te zadelen en ezels te beladen. Knechten en meiden lopen bedrijvig heen en weer, sjouwend met zware manden. Edele heren en hofdames staan bijeen in kleine groepjes en bespreken fluisterend wat er te gebeuren staat.
Even later verschijnt de aartshertogin, gevolgd door haar hofdame, Ana de Beamonte. Ze deelt bevelen uit, intussen rustig de manen van haar paard strelend. Het dier trappelt en snuift en hinnikt, alsof het zich verheugt op het vertrek. Fonseca, van zijn kant, geeft het bevel de brug op te halen en het hekken te sluiten, maar zodra Juana het geknars van de kettingen hoort, rent ze naar de poortwachters en schreeuwt dat ze Fonseca’s orders moeten negeren. Die brug moet naar beneden! Onmiddellijk! Daarop dreigt de bisschop de mannen in de boeien te slaan en in de diepste kerkers op te sluiten. Op haar beurt scheldt Juana de bisschop de huid vol in de afgrijselijkste bewoordingen: opgeblazen kikker, verachtelijke worm, stinkende kakkerlak. Hoe durft hij haar bevelen te negeren? Ze zal hem aan de hoogste galg hangen! En hoe zal haar man Felipe op dit alles reageren? Beseft Fonseca wel dat hij de echtgenote van een bevriend vorst gevangen houdt? Die brug moet naar beneden!
De bisschop, behoorlijk geschrokken van de dreigementen, antwoordt dat hij de bevelen opvolgt van de wettige vorstin van Castilië en dat hij de koningin zal inlichten over de beledigingen die de prinses hém, vooraanstaand kerkvorst, heeft toegevoegd. De brug blijft opgehaald!
Daarop begint Juana iedereen te smeken, de poortwachters, de edelen, haar hofdames. Niemand beweegt. Ze loopt naar het hekken dat voor de ophaalbrug is neergelaten, trekt en sleurt eraan. Ze hoort de smeekbeden van Francisca Calderón niet, ze negeert mijn sussende woorden, ze slaat de handen van de hofdames van zich af en zakt ten slotte machteloos jammerend voor het hekken neer.
5
Wanneer enkele uren later de zon ondergaat, zit de de troonopvolgster van Castilië nog altijd op de binnenplaats te snikken en te treuren. Er zijn dekens aangebracht, maar die weigert ze om zich heen te slaan. Ze heeft niemands hulp nodig. Het enige wat ze verlangt, is vrij te zijn, vrij van dwang, vrij om af te reizen naar haar man in Vlaanderen. Intussen steekt een koude wind op, af en toe vallen er enkele verdwaalde regendruppels.
Mijn hart bloedt, God is mijn getuige. Is het denkbaar dat de prinses hier blijft zitten tot iemand uit medelijden de brug voor haar neer laat? Kan ik het voor mezelf verantwoorden dat ze hier de hele nacht in de duisternis blijft wachten? Voor een verzwakte Juana is een koude novembernacht in open lucht zo goed als een doodvonnis.
Fonseca is naar binnen gegaan, vol angst voor het dreigement dat Juana hem zal laten opknopen. Om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven, stuurt hij iemand naar Cisneros met het verzoek de prinses zo snel mogelijk te bezoeken. Ook Isabella wordt gewaarschuwd, maar het zal zeker twee dagen duren voordat de koningin de burcht van La Mota kan bereiken. Voorlopig is het dus verkrampt luisteren naar Juana’s eindeloze jammerklachten die de uilen in de torens opschrikken en de wachters doen verstijven. Ik draag hen op dicht in haar buurt te blijven. Zodra de prinses een teken van zwakte geeft of in slaap sukkelt, moeten ze haar in veiligheid brengen.
Tegen de ochtend lijkt het zo ver. De prinses slaakt een zwakke kreet, valt op haar zijde en beweegt niet meer. Iedereen die samen met haar de nacht heeft doorgebracht, snelt toe: de hofdames, de wachters, ikzelf. Maar zodra een van ons haar aanraakt, wordt ze weer wakker en slaat ze de bezorgde handen van zich af. Ana de Beamonte loopt huilend naar binnen. De wachters trekken zich terug, sommigen met tranen in hun ogen. Het enige wat de prinses toelaat, is dat een van haar moorse dienaressen haar gelaat bet met doeken, gedoopt in warm water. Eten weigert ze.
Bij opgaande zon heeft de prinses een tweede zwak moment. Ze komt overeind, wankelt heen en weer en strompelt dan in de richting van het wachthuis. Iedereen hoopt dat er aan einde aan de ellende komt, maar even later sukkelt ze weer naar buiten om opnieuw aan het hekken post te vatten, vastbesloten haar beproeving een tweede dag vol te houden. Ze heeft in het wachthuis alleen maar een noodzakelijke behoefte gedaan.
De ochtend verloopt in stilte, de middag is niet anders. Om beurten gaan we met de prinses praten, aanvankelijk nog om haar te overhalen, later alleen maar om te zien of ze nog iets nodig heeft. Wanneer de zon weer begint te zakken arriveert Cisneros, doodongerust dat de prinses zichzelf iets zal aandoen, waardoor alle mooie plannen die hij met Isabella heeft uitgebroed, in het water vallen. Meer dan een uur praat de bisschop op haar in, maar zijn woorden hebben geen effect. Juana wil níet naar haar kamers teruggaan! Ze zal aan de ophaalbrug blijven zitten tot iemand haar eindelijk in vrijheid stelt! Hoe durven ze haar tegen te houden? Als ze haar vrijheid niet terugkrijgt, zal ze op de binnenkoer sterven. En dan wil ze daar ook begraven worden, zodat iedereen kan zien dat ze klaar was om naar haar man te gaan. Niemand heeft het recht haar tegen te houden! Haar ouders niet, de cortes niet, en al helemaal Cisneros niet! Het licht mag wijken, zijzelf zal standhouden!
Ondanks de neersijpelende motregen gaat doña Juana een tweede nacht in. Enkele wachters brengen een veldbed aan, waarop ze de prinses neerleggen. Ik krijg haar zover dat ze bereid is het veldbed in het verwarmde wachthuisje te zetten, op voorwaarde dat de wachters één voor één zweren haar niet naar haar kamer te zullen brengen. Binnen zinkt Juana weg in een onrustige slaap. Maar zodra het eerste zonlicht weer op de torens valt, komt ze overeind om – uiterst verzwakt nu, want nog altijd zonder eten – alweer op haar hurken bij het hekken te gaan zitten. Ondanks de dramatische situatie voel ik een zekere bewondering voor de prinses. Ze doet me denken aan Antigone, de Griekse heldin wier doorzettingsvermogen net zo moedig als fataal was.
In de helft van de voormiddag meldt de torenwacht de nadering van een kleine karavaan. Hoe onwaarschijnlijk ook, het is Isabella, mijn meesteres en weldoenster. Kennelijk is ze de hele nacht doorgereisd om zo snel mogelijk in Medina del Campo te zijn. De ophaalbrug wordt neergelaten, zodat Juana haar moeder kan zien uitstappen. Haar gezicht plooit zich tot een grimas. Over haar gesprongen lippen rolt een stortvloed van onbetamelijke verwijten, die ik wel kan horen omdat ik dicht bij de poort sta, maar die ik hier niet wil neerschrijven. Isabella’s gezicht wordt krijtwit, wanneer ze met eigen ogen ziet wat de boden haar de afgelopen uren hebben verteld. Ik kan me niet voorstellen dat zij zal slagen waar Cisneros mislukt is.
Maar plotseling, veeleer geïnspireerd door wanhoop dan door redelijkheid, krijg ik een inval. Ik laat het hekken ophalen, haast me tot bij mijn uitgeputte beschermster en druk haar op het hart de verwijten van haar ijlende dochter te negeren. Ze moet integendeel duidelijk maken dat niemand het recht heeft Juana zo te behandelen. Ze zal de verantwoordelijken straffen, desnoods met ophanging! Als wettige troonopvolgster is haar dochter vrij te gaan en te staan waar ze wil! De koningin bekijkt me met gekwelde ogen, maar ik druk haar op het hart dat dit de enige weg was om Juana uit haar zelfvernietigend isolement te halen.
Verstandig is mijn beschermvrouwe altijd al geweest en dat is nu ook het geval. Met de weinige krachten die haar nog resten, stapt ze over de ophaalbrug en beveelt iedereen achteruit te gaan.
‘Wat is hier aan de hand?’ roept ze met alle verontwaardiging die ze kan opbrengen. ‘Wat gebeurt hier met mijn liefste dochter? Waarom zit ze hier voor de poort te wachten?’
Ik houd Juana in het oog en zie tot mijn grote opluchting dat de verwijten in haar mond verstommen.
‘Cisneros! Waar is Cisneros!’
De hoogste kerkvorst van Spanje haast zich naderbij.
‘Is dat de manier waarop de troonopvolgster van Castilië in haar eigen land behandeld wordt!’
‘Majesteit, ik, eh…’
‘Zwijg! De koningin roept u ter verantwoording.’
Juana kijkt haar moeder met open mond aan.
‘En waar is Fonseca?’
‘Hier, Majesteit, ik heb mijn best gedaan…’
‘Uw best gedaan?! Heb ik u ooit opgedragen mijn dochter hier gevangen te houden? Antwoord!’
‘Nee, majesteit, maar ik…’
‘Nee, zegt u! En dat zegt u terecht! Mijn dochter is vrij te gaan en te staan waar ze wil.’
Juana valt languit op de grond en huilt de laatste tranen uit haar lichaam, tranen van opluchting, neem ik aan.
Vol mededogen knielt Isabella bij haar neer. ‘Juanita! Mijn liefste kind! Wat hebben ze je aangedaan? Meester Mártir, ik wil de namen van alle leden van het hof die voor deze toestand verantwoordelijkheid zijn.’
Juana heft haar hoofd op en fluistert: ‘Mijn koningin, mijn moeder, ik wil mijn kinderen zien. Ik wil naar mijn man gaan!’
‘Natuurlijk, Juanita! Wat God heeft gebonden, zal geen mens ontbinden.’
‘Beloof het, moeder!’
‘Ik beloof het, kind!’
6
De volgende dag wordt Cisneros uit de burcht verwijderd, Fonseca gaat voor enkele maanden ‘herbronnen’ in zijn bisdom. Maatregelen die niet echt gelden, nemen we aan, maar na enkele dagen beginnen we daar aanders over te denken. Om de een of andere reden volhardt de koningin in haar beschermende houding tegenover haar dochter. Ik ben uiterst verbaasd daarover. Jaren heb ik aan het Spaanse hof doorgebracht en nooit heb ik mijn gebiedster en meesteres een gevecht zien opgeven. Nu hoor ik haar bij herhaling zeggen dat ze Juana niet van haar man wil scheiden en dat dat ook nooit haar bedoeling is geweest. Alleen het ongunstige weer en de oorlog hebben het vertrek van haar dochter vertraagd. In de lente, als de vloot klaar is, zal de reis niet langer worden uitgesteld. Deze en andere geruststellende beloften doen de diepe wanhoop bij de prinses langzaam wijken.
In de maanden december en januari worden de conflicten tussen moeder en dochter toegedekt onder een deken van beleefde terughoudendheid. Toegedekt, maar ook warm gehouden. Het zijn voor beide vrouwen verschrikkelijke maanden. Want ondanks haar wankele herstel blijft Juana uiterst wantrouwig. En Isabella zou Isabella niet zijn mocht ze in al haar zwakte niet blijven broeden op andere wegen om haar doel te bereiken. De ene dag na de andere gaat voorbij, kort in daglicht, eindeloos lang in uren van geduld.
Eind januari wordt aan de tragedie een onsmakelijk hoofdstuk toegevoegd door een brief die de kleine Karel, zoon van Juana, aan zijn grootvader Ferdinand richt.
Aan Ferdinand, koning van Aragón.
Zeer machtige heer, zeer geliefde grootvader
Uwe Hoogheid zal het mij vergeven dat ik deze brief niet eigenhandig geschreven heb, daar ik nog te jong ben. Drager van de brief zal in mijn naam Uw zeer koninklijke handen kussen. Moge God aan Uwe Hoogheid gezondheid en voorspoed schenken en ook aan mij, opdat ik Uw handen ooit zelf kan kussen.
Nederig en met de grootste onderdanigheid smeek ik U dat de prinses, mijn moeder en meesteres, naar Vlaanderen terug mag keren, want de prins, mijn heer en vader, voelt zich zeer eenzaam zonder haar.
De prinsessen doña Leonora en doña Isabel, mijn zussen, stellen het goed.
Voor het overige bid ik dat God Uw leven en Uw koninkrijk altijd voorspoedig zal bewaren, zoals Uw koninklijk hart dat wenst.
Vanuit Brussel op 5 januari 1504.
De zeer nederige en gehoorzame kleinzoon en dienaar van de koning van Aragón,
Carlos
Een kind, misbruikt voor de politieke intriges van zijn vader! Isabella’s verontwaardiging is zo groot dat ze het stuk meteen aan haar dochter wil laten lezen, maar dat kan ik gelukkig voorkomen. Mocht de prinses kennis nemen van wat haar zoon zogezegd op papier heeft gezet, dan is ze waarschijnlijk niet meer te houden.