Joris Tulkens

Fragment: Sire, er zijn geen Vlamingen

Sire, het kan verkeren

Nog geen honderd jaar geleden liet Jules Destrée aan Uw grootvader weten dat er geen Belgen meer waren. Uw opa heeft daar toen hartelijk om gelachen en gelijk had ie. Jules’ uitspraak was een grove leugen. Er waren Belgen zat. Jules was er zelf één, toen hij na de oorlog als minister van Kunsten en Wetenschappen het geld van de Belgische belastingbetaler opstreek.

Vandaag de dag, Sire, kan ik U officieel meedelen dat er geen Vlamingen meer zijn, qu’il n’y a pas de Flamands, pour ainsi dire. Ik heb er in elk geval geen ontdekt en, geloof me, ik heb ver gezocht.

Vlamingen, Brabanders, Limburgers

Laat ik om te beginnen mijn terrein afbakenen. Waar zou ik zo’n authentieke Vlaming gaan zoeken? In Vlaanderen? Da’s moeilijk, Sire, heel moeilijk. Met de namen van de Vlaamse regio’s is het erg gesteld. Een zootje, mag ik zeggen. Het oude graafschap bijvoorbeeld bestond niet alleen uit de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen, maar ook nog eens uit een stukje Zeeland en een morzel Frankrijks. Die Zeelanders en die Fransen, zijn dat vandaag de dag dan nog Vlamingen? Waarschijnlijk niet: die bijkomende stukken horen er niet langer bij. Maar Brabant en Limburg – die er vroeger niet bij waren – zijn nu wél Vlaams. Vandaag de dag wonen Vlamingen van kust tot Maas. Ook Limburgers zijn dus Vlamingen, hoewel het niet eens Limburgers zijn. Limburgers zijn eigenlijk Loners, bewoners van het oude graafschap Loon. De echte Limburgers waren Walen, woonachtig in het hertogdom Limbourg, vroeger gelegen tussen Aken en Luik. Of misschien waren het wel Duitsers, want eigenlijk heette hun hertogdom Limpurch. In de slag bij Woeringen hebben de Loners die Frans-Duitse Limburgers nog lelijk op hun donder gegeven.

De meeste tijd hebben de Loners doorgebracht binnen het prinsbisdom Luik. Met Vlaanderen hadden ze geen zak te maken. Jamaar, die Limburgse Loners werden in Italië toch fiamminghi genoemd. Da’s waar, Sire, maar daar staat tegenover dat ook Luikenaars fiamminghi werden genoemd, al spraken ze geen woord Vlaams. Het waren fiamminghi di Liégi en zelfs fiamminghi valone, Waalse Vlamingen, dus. Hoe dan ook, de Loners en hun prinselijke bisschop hebben altijd hard hun best gedaan om de Belgeois van Brussel buiten hun territorium te houden. Want met die Belgeois hadden ze geregeld bonje. Bonje? Ruzie, Sire, herrie, gekrakeel.

Christus, er is wat afgevochten tussen die Vlamingen, die Brabanders en die Loners. Samenhorigheidsgevoel? Vergeet het. In de Guldensporenslag vochten de Brabançons enthousiast met de Fransen mee… tot ze in de pan werden gehakt. Toen draaiden ze hun kazak en blèrden ze plotseling Brabants in de hoop aan de goedendag te ontsnappen. Tevergeefs: ze hadden West-Vlaams moeten blèren. In diezelfde Guldensporenslag bleven de Loners onderweg zo lang hangen dat ze uiteindelijk te laat kwamen. Dat hebben Loners altijd al gehad, Sire. De Gentenaars van hun kant stuurden hun kat. Maar Gentenaars vormen een ras apart, dat wist Conscience al. Toen die op een keer het Antwerpse stadsbestuur verweet dat het te veel >vreemdelingen= toeliet, bedoelde hij daar Gentenaars mee. Waren het trouwens ook geen Gentenaars die in 1898 de Société flamande pour la vulgarisation de la langue française oprichtten? Bon, dat zegt genoeg.

De vader van de Vlaamse Beweging

Overigens, die Conscience, da’s een vreemd geval, Sire. Conscience, de grondlegger van de Vlaamse Beweging, was een Fransman! Dat wil zeggen, zijn vader was een Fransman, afkomstig uit Besançon. Daar hoort wat uitleg bij.

Pierre Conscience, vader van, werd als Frans marinier drie keer gevangen genomen en uitgewisseld met Engelse krijgsgevangenen, voordat hij in Antwerpen scheepstimmerman werd op de werven van Napoleon. Hij trouwde met Cornelia Balieu en kreeg vijf kinderen, van wie er twee in leven bleven: het schriele Rikske – Henri, voor zijn ouders – en de stevige Jean Balthazar. Het schriele Rikske overleefde vier buiklopen, vijf hongerwinters en zes longontstekingen voordat hij opgroeide tot de man die zijn volk leerde lezen. Veel heeft hij daar niet van terecht gebracht, Sire, maar dat was niet zíjn schuld: na jaren verblijf in Antwerpen stootte zijn vader nog altijd een soortement Vlaams koeterwaals uit dat de klanten van zijn houthandel op de vlucht dreef.

Henri zelf sprak natuurlijk ook Frans, Sire, méér nog: hij las Frans, ademde Frans, was Frans in het diepst van zijn gedachten. Hij debuteerde zelfs in het Frans. Zijn eerste literair probeersel was een vastenavondspel, waarin hij zelf de rol van Lucifer vertolkte. Satan converti, heette het onding. Het was een belachelijk zangspel, voor het eerst en voor het laatst opgevoerd in de Taverne du Pain Perdu in Dendermonde. Maar wellicht weet u dat al, Sire, want in dat stuk liet hij niet na de eerste koning der Belgen fameus op te hemelen.

De man is heel zijn leven in het Vlaams-Frans blijven rondhinkelen, Sire. Een aantekening voor zijn Leeuw van Vlaanderen klinkt zo: ‘Des avonds is Breydel met de Coninck in een tent, ils mangent des betteraves cuites sous la cendre et boivent du vin…’ Half-Vlaams, half-Frans. Kun je van zo iemand verwachten, qu’ il apprend son peuple à lire, Sire ?

Nog straffer. Bij de viering van Consciences honderdste sterfdatum – dus in 1983 – wilde een uitgever De Leeuw van Vlaanderen herdrukken, uiteraard in een gemoderniseerde versie. Een specialist werd aangezocht om de zo goed als onleesbaar geworden 19de-eeuwse tekst te fatsoeneren. Sire, de man is ermee gestopt: te veel gallicismen, te veel germanismen, manklopende zinnen, onbegrijpelijke passages, kortom: schabouwelijk Nederlands. Wat deed de uitgever? Hij pakte een Franse vertaling van de Leeuw en liet die versie opnieuw naar het Nederlands omzetten. Zo vierde het beroemdste boek van de man die zijn volk leerde lezen zijn centennium. Centennium? Periode van honderd jaar, Sire. Ik heb het woord zelf uitgevonden, maar ik dacht, onder intellectuelen…

De Vlaamse ezel

Hoe Henri zich uiteindelijk de Vlaamse zaak ging aantrekken, is een verhaal apart. De Vlamingen zullen het niet graag horen, maar in feite werd de Vlaamse leeuw wakker door het volgen van een ezel. U moet míj niet geloven, Sire, het staat letterlijk in Henri’s Geschiedenis mijner jeugd. ‘Op zekere dag toen ik met mijn broer door de laan bij onze woning dwaalde, zagen wij in de verte enige jongens van onze leeftijd onder vrolijk gejuich een ezel voortdrijven, waarop één hunner gezeten was. Wij liepen uit nieuwsgierigheid tot bij de blije groep en volgden hem. Tussen de jongens was er één die over de ezel beschikte, want hij wees onder zijn gezellen diegenen aan, welke beurtelings op het lijdzame dier mochten stijgen. Mij vroeg hij eindelijk of ik insgelijks eens wilde rijden; ik aanvaardde met vreugde en was hem dankbaar voor deze gunst. De jongen aan wie de ezel scheen toe te horen, heette Jan de Laet. Zijn naam zal men later tussen de beslissendste voorvallen van mijn leven gemengd vinden.’

Dat laatste, Sire, is een understatement. Die Jan de Laet is namelijk dé Jan de Laet, de man die Henri eerst tot de Franse, nadien tot de Nederduitse literatuur bekeerde en hem aanspoorde Tollens en Bilderdijk te lezen, want ‘dit zijn de beste middelen en zekerste meesters om tot de volmaaktheid te geraken.’ Dus, Sire, zonder ezel, geen De Laet; zonder De Laet, geen Conscience; zonder Conscience, geen Vlaamse Beweging.

En het strafste van al, diezelfde zoon van een Fransman en aanstoker van de Vlaamse Beweging was ook nog eens een voorbeeldige Belg. Wat zeg ik? Hij was een patriot. Hij schreef een Geschiedenis van België die beter Lofrede op België had geheten; hij smeekte om te worden toegelaten tot het Belgisch leger en hij werd door Uw dynastieke voorvaderen rijkelijk gesubsidieerd om het roemrijke Vlaamse verleden in zijn boeken te bezingen. Is dat echt, hoor ik U op ongelovige toon vragen. Wel, dat is echt, Sire. Hoewel Uw voorvaderen geen Vlaams woord uit hun bek kregen, waren ze gulle begunstigers van de Vlaamse cultuur. In die tijd was men geen Vlaming om Europeeër te worden, men was Vlaming om Belg te worden. Mocht Henri geweten hebben dat zijn inspanningen voor het bevorderen van de Vlaamse identiteit tot de dreigende scheiding van zijn dierbaar België hebben geleid, hij zou zijn pen hebben neergelegd om Uw vorstenhuis gewapenderhand te verdedigen.

Als ‘Vlaamse voorman’ kan dat tellen, vindt u niet, Sire? En Conscience was niet de enige rare kwast, hoor. Kent u Rodenbach? Albrecht Rodenbach? De man van de vliegende blauwvoet? Alweer van vreemde afkomst: Duitse voorouders. En wist u dat zijn vader en grootvader in 1828 een petitie ondertekenden ‘tegen de verdrukking van de Franse taal’? Foute familie, dus.

Latijn, Frans, Duits, Hollands

Maar ik ben afgedwaald. Terug naar mijn Vlamingen. Wie zijn ze? Wat doen ze? Waar zitten ze? Wel, Sire, dat is heel eenvoudig. Er zijn een massa West-Vlamingen en er zijn een massa Oost-Vlamingen en dat is dat. Punt. Andere Vlamingen bestaan gewoon niet. Hoe die West- en Oost-Vlamingen ooit met Brabanders en met Limburgse Loners onder één hoedje zijn verzeild, da’s een van die onopgeloste raadsels die geschiedenis zo boeiend maken. Specialisten beweren dat het met hun taal te maken heeft. Vlamingen, Brabanders en Limburgers zouden ‘taalkundig’ samenhoren.

Eerlijk gezegd, Sire, daar geloof ik niets van. West-Vlamingen en Limburgers kunnen elkaar niet eens verstaan, wat zouden ze taalkundig samenhoren. Bruggelingen en Hasselaars begrijpen elkaar alleen als ze dezelfde vreemde taal spreken, bijvoorbeeld Nederlands. Nederlands, hoor ik U alweer verbijsterd roepen, maar dat is toch…! Jawel, Sire, zo voor West-Vlamingen als voor Limburgers is het Nederlands een vreemde taal. Zeker in het begin van de 19de eeuw, toen het Vlaamse volk nog ‘uit zijn taalarmoede moest ontwaken’, zoals dat toen geformuleerd werd. Wat een onzin. Dat volk sliep niet in taalarmoede, Sire, laat staan dat het eruit kon ontwaken. Dat volk sprak perfect Vlaams, Brabants, Limburgs en nog een stuk of wat dialecten. Een gemeenscháppelijke taal, die hadden ze niet. En de zogezegde verzamelbak van hun dialecten, het Oudnederfrankisch, dat bestond gewoon niet! Het Oudnederfrankisch is een gereconstrueerde taal, Sire. Die wordt (en werd) nergens gesproken.

Voor een echte spreektaal moesten de Vlamingen dus op zoek. Waar? O, voorstellen genoeg, in die tijd. De geleerden hadden een voorkeur voor het Latijn, want dat was de taal van de wetenschap. Sire, als iedereen toen op het Latijn was overgeschakeld, dan hadden we in België nooit taalproblemen gehad. Maar ach, dan hadden we ook veel leut gemist.

De Fransen zeiden: pak Frans, dan ontwaken jullie in een wereldcultuur. Maar dat was voor de Vlamingen net iets te eenvoudig. De Duitser Kuranda stelde voor: kies Duits, jullie weten nooit waar het nog goed voor is – en of ie gelijk kreeg. Maar uiteindelijk opteerden de Vlamingen – koppig als ze waren – voor het Hollands en ze besloten: die tael is gansch het volk, hoewel geen enkele Vlaamse, Brabantse of Limburgse boer één gebenedijd woord Hollands over zijn lippen kreeg.

De Vlaamse cultuur

Goed dan, geen gemeenschappelijk taal. Maar er is toch de zeer herkenbare Vlaamse cultuur, nietwaar? De Vlaamse primitieven, de Vlaamse polyfonisten, dat waren toch kunstenaars van wereldniveau!

Wel, Sire, kweetetniet. Neem nu eens die Vlaamse polyfonisten. Ik haal het eerste het beste verzamel-cd’tje uit mijn kast en lees: achttien werken van negen beroemde Vlaamse polyfonisten. Ik ga het rijtje af. Vooraan: Ciconia, een Luikenaar, werkzaam in Avignon en in Padua. Zal dus wel een fiammingho di Liégi zijn geweest, maar alleszins geen Vlaming. Guillaume Dufay, onduidelijke geboorteplaats, waarschijnlijk Cambrai. Zijn voornaam zegt ook veel. Afgevoerd. Isaac, voornaam Heinrich. Een Duitser? Waarschijnlijk wel, want in Italië werd hij Arrigo Tedesco genoemd: ook afgevoerd. Josquin des Prez komt uit Vermandois, dat moet dus een fiammingho valone zijn geweest. Lassus, geboren in Mons. Alweer een Waal. En dan eindelijk: De Monte, afkomstig uit Mechelen, een rasechte. Ockeghem uit Dendermonde, goedgekeurd. Obrecht, afkomstig uit Bergen-op-Zoom, een Nederlander. Valt weg. Maar de Bruggeling Willaert is weer een raszuivere. Ziedaar de kopstukken van de Vlaamse polyfonie, Sire: drie Vlamingen, één Duitser, een Nederlander en vier Franstaligen. Moet er nog zand zijn?

De Vlaamse roots

Op dat punt beland, Sire, besefte ik dat alleen drastische methoden mij een authentieke Vlaming zouden opleveren en dus liet ik me inspireren door het wedervaren van Psammetichus, een Oudegyptische collega van U. Die wilde op een bepaald ogenblik weten welk taal de oudste van de wereld was. Op een afgelegen plek liet hij een pasgeboren kind grootbrengen door een geitenhoeder, uiteraard een doofstomme, zodat het klein grut geen menselijke klanken te horen kreeg. Het eerste woord dat de uk dan uitbracht, zou er eentje in de oudste menselijke taal zijn. Zo gezegd, zo gedaan: moeder bevallen, geitenhoeder geïnstalleerd, kind afgezonderd. Camera’s erbij, zodat niks verloren ging.

Zo omstreeks zijn tweede levensjaar produceerde het mormel de klank ‘bêêêk’ – of wat dacht U, Sire? De medewerkers van de koning onderzochten het foneem, plakten er een uitgang aan vast en gingen op zoek naar een taal waarin het woord bêkos voorkwam. Welnu, in het Frygisch betekent bêkos ‘brood’. Het kleingoed had in de oudste menselijke taal, het Frygisch, om brood gevraagd. Geniaal. Toch?

Op dezelfde manier, Sire, ging ik op zoek naar het prille begin van het Vlamingendom. Niet makkelijk, zo’n onderzoek. Specialisten beweren dat de helft van onze bevolking één opa of overopa van vreemde origine heeft. Smalend wijzen ze erop dat zelfs Uw eigenste dynastieke vader, Leopold I, een immigrant was, een tot Engelsman genaturaliseerde Duitse Sakser die op een haar na de Engelse troon miste omdat de troonpretendente, zijn eerste vrouw, in het kraambed bleef. Door die brute pech zat Uw dynastieke vader zonder vrouw, zonder opvolger en zonder troon. Slecht bekomen van die onkans bedankte Leopold ook nog eens voor de Griekse kroon om uiteindelijk koning der Belgen te worden. Zijn voornaamste verdienste was dat hij zich eenmaal per jaar in het Frans excuseerde dat hij geen Nederlands kende, een gewoonte die in Uw familie tot een schone traditie is uitgegroeid. Spijtig genoeg worden zulke dingen vandaag de dag niet meer gewaardeerd. Goed dat de jongste Saksen-Coburgs het nu anders aanpakken: de tijd die hun voorouders aan verontschuldigingen besteedden, wijden zij nu aan inspanningen om de taal effectief te leren. Dat ze daarvoor zelfs een logopediste in huis nemen, is toegeven aan het gepeupel, maar alla.

Een vlugge wip

Dít was dus mijn vraag, Sire: waar en wanneer leefde de oudste authentieke bewoner van onze Vlaamse gewesten. Even dacht ik aan het Antwerpen van de 16de eeuw. Alweer specialisten – weliswaar Antwerpse – hebben ontdekt dat het idioom van de stad aan de stroom in feite de taal van Adam en Eva was, nog ouder dus dan het Frygisch. Maar, Sire, een Antwerpenaar als authentieke Vlaming, dat ziet U toch zelf niet zitten.

Achteraf bekeken had ik me de inspanningen kunnen besparen, Sire, zozeer zijn de Vlaamse roots in de loop der tijden verbasterd. Wie hebben de Vlaamse meiden in de voorbij twintig eeuwen níet over zich heen gekregen? Oostblokkers in de jaren negentig. Turken en Marokkanen sinds de jaren zeventig. Spanjaarden in de jaren zestig, Italianen vanaf vijftig. Daarvóór: Fransen en Hollanders. Twee keer ook Uw Volksgenossen, Sire, maar dat waren gelukkig geen blijvers. Omstreeks de eeuwwisseling: weer Fransen, Hollanders en Duitsers. En zo kan ik doorgaan. In de 18de en de 17de eeuw: Spanjaarden, Portugezen en joden. Renaissance: studenten en humanisten van overal. Toffe kerels, trouwens, die humanisten. Ubi bene, ibi patria, zeiden ze, dat is zoveel als: mijn huis is waar mijn stella staat. En dus bleven ze in Brabant hangen – met Interbrew aan de Leuvense vaart.

We gaan door. Late Middeleeuwen: handelaars uit heel Europa, Italianen, hanzeaten, joden. In de 9de eeuw de Noormannen. Geen opdringerig volk, Sire: een vlugge wip en weg. Op het einde van de keizertijd staken Germanen – toen nog geen Duitsers – de Rijn over om de Romeinen – toen nog geen Italianen – te germaniseren.

Vanaf die Germanen is het dan uitkijken. Veel kans dat de kerels die vóór al die invasies, immigraties en volksverhuizingen hier woonden, ongerepte Vlamingen waren. Welnu, Sire, hier komen we bij een van die wendingen in de geschiedenis die bewijzen dat de werkelijkheid altijd straffer is dan de beste fictie. Want wat blijkt? De man die we door de eeuwen heen zochten, de ongerepte autochtoon, de authentieke Vlaming, dat is… een Belg! Tenminste die naam gaf Caesar aan de gebaarde, bierdrinkende en dobbelende bosmens die hij omstreeks 50 v. Chr. in de Welriekende Dreef aantrof. De ongerepte Vlaming is een ouderwetse Belg!

En daarbij blijft het niet, Sire. Want net toen ik me afvroeg welke dan wel de wezenskenmerken van die Belg zouden zijn, ontdekte ik dat hij zelf niet autochtoon was! Die oude Belg was zelf een immigrant, Sire, en wel vanuit Midden-Duitsland. Hoort U dat, Sire? Uit Midden-Duitsland! Dat is Uw eigenste stamgebied, Uw dierbaar Saksen-Coburg!

Daar hebben de Vlamingen niet van terug, vrees ik. De allereerste Vlaming, de oudste Belg was een Sakser! Foute boel, dus, de bewering dat Uwe Hoogheid in ons land een volksvreemd element zou zijn. Vlamingen, Belgen, Walen, het is één pot nat: allemaal Saksers. Toen Uw dynastieke vader in 1831 in onze streken asiel kreeg, was dat simpel een kwestie van gezinshereniging.

Snorri Sturluson

Aangemoedigd, Sire, door die verbijsterende ontdekking, besloot ik nog verder terug te gaan, doorheen twee ijzertijden, via de bronstijd tot in de late steentijd, toen de eerste sporen van menselijke beschaving onze bodem bevuilden. Die Vlaamse Belgen of Belgische Vlamingen, waren dat altijd Saksers geweest? Was Midden-Duitsland hun stamgebied?

Archeologische vondsten laten niet toe die vraag eenduidig te beantwoorden, maar vroege mythische literatuur biedt uitkomst. In de proloog van de Oudijslandse Edda schreef Snorri (sic) Sturluson dat ‘in Troje, gelegen in Turkland, Odin werd geboren uit het 18de geslacht van Thor en dat hij met zijn gemalin Frigg en met vele Asen – dat zijn mensen uit Azië, Sire – naar het noordelijk halfrond verhuisde. Overal waar die Asen kwamen, braken gelukkige tijden aan. Waar zij verbleven, heerste vrede en was het jaar goed. De Asen trouwden met vrouwen uit die landen en hadden zonen die trouwden met vrouwen uit die landen. Zo creëerden ze een multiculturele samenleving.’
Grapje, Sire. Dat laatste staat niet in de tekst. Wat er wél in staat, is waar die Asen zich precies settelden, namelijk in de Skandinavische landen, in Frakkland, in Westfalen, in Jotland, en ook… in Saxland. Jawel, Sire, Saxland! De Asen bouwden nederzettingen in Uw stamgebied. En waar kwamen ze vandaan? Uit Troje in Turkland. De allereerste Saksers waren dus… Turken.

Zo werd de oorsprong van ons volk me helemaal duidelijk, Sire. Vanuit het roemruchte Troje kwamen de Asen in prehistorische tijden naar Midden-Duitsland afgezakt. Daar mengden ze zich met de plaatselijke bevolking en ze lieten zich Saksen noemen. Vele eeuwen later verhuisden die Saksische Turken naar onze gewesten, waar ze door Caesar tot Belgae werden gedoopt. Die Belgen werden dan de speelbal van de grootmachten tot ze in de 19de eeuw onder Uw roemrijke voorganger, Leopold I, zelf een oude Saksische Turk, herenigd werden. Comment un sou peut rouler.

Ik weet zeker, Sire, dat Vlaamse wetenschappers die feiten zullen aanvechten. Het terugvoeren van Uw geslacht tot zijn roemrijke Trojaanse oorsprong – dezelfde als die van de Romeinse koningen – zullen ze met dubieuze argumenten, zoniet met leugens bestrijden. Tenslotte hebben ze ook de sacralisering van Uw dynastie onmogelijk gemaakt door Uw heilige broer na zijn dood verdacht te maken met zijn zogezegde steun aan dictatoriale regimes. Ik hoor ze al te keer gaan, die Vlamingen: kaakslagen van hier, verraad van ginder. Ze zullen het vendel zwaaien en het lied aanheffen. Ze zullen winnen of sneven. Maar onder mijn conclusie komen ze niet uit: de oudste Vlaming was een Belgische Turk.

Besluit

Samengevat, Sire. Historische Vlamingen? Niet te vinden. Wél historische Belgen. Taalkundige Vlamingen? Niet traceerbaar. Wél Vlamingen, Brabanders en Limburgers die Hollands zijn gaan spreken. Vlaams territorium? Een zootje. Vlaamse cultuurdragers? Ik heb U enkele exemplaren van hen voorgesteld.

Volkomen terecht, Sire, besluit ik dus qu’il n’y a vraiment pas de Flamands, hoezeer men U ook van het tegendeel probeert te overtuigen. Dit onderzoek, opgezet om een authentieke Vlaming te vinden, bevestigt op geheel objectieve wijze de suprematie van het Belgische volk en de glorierijke oorsprong van zijn vorstelijke dynastie.