Amper een kwartier deden de heren erover om het lot van mijn vader te bezegelen. Zo wankel is het leven van een mens dat het binnen een vloek en een zucht opzij kan worden geschoven. Toen de heren weer binnenkwamen met hun ernstige gezichten en hun gespeelde waardigheid, keek mijn vader hen een voor een in de ogen, maar allen ontweken ze zijn blik. In berusting boog hij het hoofd.
‘Sir Thomas More, wilt u rechtop gaan staan.’
Mijn vader kwam overeind en richtte het hoofd op. Vervolgens wendde Audley zich tot de leden van het hof. ‘Bent u van oordeel dat het gesprek tussen mijnheer Rich en sir Thomas More heeft plaatsgevonden op de manier zoals mijnheer Rich het ons heeft verteld?’
Iedereen knikte.
‘In dat geval acht ik sir Thomas More schuldig aan hoogverraad en zal ik overgaan tot het uitspreken van de straf.’
Mijn vader stak zijn hand op. ‘Edelachtbare, toen ik nog rechter was – bij Gods wil – was het de gewoonte aan de beschuldigde te vragen of hij het eens was met het vonnis dan wel of hij redenen kon aanvoeren om te twijfelen aan de rechtmatige toepassing ervan.’
Daarop vroeg Audley wat mijn vader in zijn voordeel kon aanvoeren.
‘Heren,’ antwoordde mijn vader, ‘aangezien u vastbesloten bent om mij ter dood te brengen – God mag weten waarom – kan ik vanaf nu vrij en ongedwongen spreken over de motieven die me hebben aangespoord tot verzet tegen de toepassing van de Act of Supremacy. Tot nu toe kon ik dat niet, want dan zouden mijn woorden worden uitgelegd als een poging van mijn kant om mijn dood te versnellen en dat zou de Heer – die alleen baas is over leven en dood – mij kwalijk hebben genomen. Wat de grond van de zaak betreft, deze aanklacht is gegrondvest op een parlementair besluit dat volkomen in strijd is met de wetten van God en zijn Heilige Kerk. Het hoogste gezag van die Kerk is door de woorden van de toen nog op aarde levende Christus toegekend aan Sint Petrus en zijn opvolgers, die allen hun zetel hadden en hebben in Rome. Het parlement heeft inzake geloof geen zeggenschap over christenen. De stad Londen, zijnde een klein onderdeel van het Engelse koninkrijk, kan geen particuliere wet goedkeuren die voor alle onderdanen van het koninkrijk bindend is. Op dezelfde manier kan dit koninkrijk, dat maar een klein onderdeel is van de christelijke wereld, geen wet maken die strijdig is met de algemene wetten van de universele Kerk. Als het koninkrijk Engeland zijn gehoorzaamheid aan Rome opzegt, dan is dat hetzelfde als wanneer een kind zijn gehoorzaamheid zou opzeggen aan zijn natuurlijke vader.’
Audley riposteerde heftig. ‘De Act of Supremacy is goedgekeurd door bisschoppen en universiteiten en door de meest geleerde en deugdzaamste mannen van dit koninkrijk.’
‘Het spijt me, sir Audley, maar inzake geloof is de macht van het parlement ondergeschikt aan de wetten van God en aan de algemene consensus zoals die wordt uitgesproken door een competente meerderheid van christenen. En die meerderheid bestaat niet uit toevallige bisschoppen of geselecteerde universiteiten of geleerde en deugdzame mannen die elkaar op dit specifiek moment in dit deel van de wereld zijn tegengekomen. Die meerderheid bestaat uit de hele gemeenschap der christenheid, zo heiligen in de hemel als gelovigen op aarde.’
‘Wilt u beweren dat al de mensen die de eed hebben afgelegd in feite meineed hebben gepleegd?’
‘Onwetenden kunnen niet zondigen. Ik heb vooral medelijden met de machtigen van deze aarde die wetens en willens eden afleggen en ze later breken.’
‘Over wie hebt u het?’
‘Ik heb het over de koning. Hendrik, die ik als dienaar eer en gehoorzaam, heeft bij zijn kroning gezworen de Kerk van Rome te verdedigen en te beschermen. Nu laat hij toe dat zijn parlement diezelfde Kerk afvalt.’
De hertog van Norfolk was onthutst. ‘Is dat uw echte mening, Thomas? Want dan wordt uw kwaad opzet wel heel duidelijk.’
‘Ik zeg dit niet met kwaad opzet, monseigneur. Ik zeg dit om mijn geweten te ontlasten, God zal mijn getuige zijn. Bovendien meen ik dat ik niet zozeer omwille van de Act of Supremacy mijn leven zal laten, maar voor het simpele feit dat ik me tegen het veel besproken huwelijk heb verzet.’
Audley was min of meer voor de kop gelopen, nu mijn vader zijn vinger zo precies op de wonde had gelegd. Om zichzelf een houding te geven, vroeg hij wat John Fitzjames, een van de twee opperrechters, van More’s bezwaar dacht. Maar deze was even goed in de war en deed een uitspraak die nergens op sloeg. ‘Mijne heren, ik denk dat als het besluit van het parlement niet onwettelijk is, de aanklacht volgens mijn geweten valabel is.’
Er viel een korte stilte, terwijl iedereen diep nadacht over die mysterieuze uitspraak. Daarna maakte Audley korte metten. ‘Sir Thomas More, wij achten u schuldig aan de feiten die u ten laste worden gelegd. Hebt u verder nog iets tot uw verdediging aan te voeren?’
‘Ik heb nog een belangrijke slotbedenking, sir Audley.’
‘Goed, maar geen pleidooi meer!’
‘In het evangelie staat dat Paulus de christenen achtervolgde en doodde. Hij was er bij toen de heilige Stefanus gestenigd werd. Toch zijn beiden nu in de hemel als heiligen en ongetwijfeld ook als vrienden onder de hoede van God. Ik vertrouw erop, heren rechters en monseigneurs, dat u die mij ter dood zult veroordelen, en ikzelf, die mijn onschuld staande houdt, in het hiernamaals weer als vrienden samen zullen zijn. En ik vraag ook de Almachtige God onze koning te bewaren en te beschermen, en hem in wijsheid te vermeerderen.’
Mijn vader boog diep en liet zich vervolgens uitgeput op zijn stoel zakken. Maar omdat hij zijn straf rechtopstaand moest aanhoren, kwamen twee dienaars naast hem postvatten. Ze grepen hem bij de arm en ondersteunden hem, terwijl hij naar het verdict van Audley luisterde.
‘Mijn dank, meester More, voor deze woorden. Ik spreek nu de straf uit. Een van de volgende dagen zult u op een houten plank doorheen de stad naar Tyborn worden gebracht. Daar zult u worden opgehangen tot u half dood bent. U zult worden losgesneden en uw ingewanden zullen worden verwijderd en voor uw ogen verbrand. Uw edele delen zullen worden afgesneden, u zult worden onthoofd en uw lichaam zal in vier delen uiteen worden getrokken. Uw hoofd en wat er nog rest van uw lichaam zal worden tentoongesteld op zekere plaatsen die door de koning worden bepaald.’