Joris Tulkens

Fragment: Vesalius

Kennismaking met de grootinquisiteur

‘Mijn excuses, meester Vesalius, dat ik u stoor. Uw allercharmantste dame was zo vriendelijk me tot hier te brengen en zonder haar hulp zou ik ongetwijfeld weer zijn vertrokken. Want wie ben ik dat ik uw ongetwijfeld zeer geleerd gesprek met meester Daza Chacón zou durven te onderbreken?’
‘Monseigneur!’ groeten wij bijna gelijktijdig. Dionisio wil een knie aan de grond zetten om de bisschopsring te kussen – waardoor ik bij God verplicht zou zijn hetzelfde te doen – maar Valdés grijpt hem meteen bij zijn schouders. ‘Blijf staan, meester Chacón. De groten der aarde hebben voldoende aan wederzijds respect. Ze hoeven elkaar geen onderdanigheid te betonen.’
Ik word graag tot de groten der aarde gerekend en Dionisio ongetwijfeld ook, maar ik noteer met gemengde gevoelens dat Valdés er zichzelf ook toe rekent.
‘Ik ben ervan overtuigd, monseigneur,’ antwoordt Dionisio, ‘dat de kwalificatie grootheid maar voor één van ons drieën geldt, met name voor de dienaar van Gods Heilige Kerk.’
Valdés grinnikt. ‘Voorwaar, meester, u bent niet alleen onderlegd in de geneeskunst, maar ook in de Bourgondische galanterie.’
‘Wie bij de hond slaapt, monseigneur…’
‘En u, meester Vesalius, ontkent u ook uw grootheid?’
‘Ik, eh, ik sta met mijn mond vol tanden, monseigneur, dat u de moeite neemt om met mij kennis te maken.’
‘Kennismaken? Ik kén u al, meester. Ik kén u al.’
Bij die woorden grijpt hij me vertrouwelijk bij de arm en schudt ermee zoals men doet bij kinderen om hen te belonen voor hun schattigheid.
‘U kent mij al? Hoe bedoelt u dat, monseigneur?’
‘Heel onschuldig, meester: ik heb uw Fabrica gelezen.’
‘O, dát? Ik dacht dat u…’
‘Mijn excuses’, doet de kerkvorst berouwvol. ‘Kijk, dit is een van de nadelen van mijn functie: iedereen die ik aanspreek, begint onmiddellijk in zijn verleden te graven om te zien waar of wanneer hij God beledigd of Christus ontkend heeft. En, weet u, de meesten vinden ook wel iets…’
Een sardonisch lachje krult zijn linkermondhoek naar boven, maar onmiddellijk daarna wordt hij weer ernstig. Behoorlijk verwarrend allemaal en vermoedelijk doet hij het met opzet.
‘Nee, u moet me geloven, meester Vesalius, mijn interesse voor u beperkt zich tot uw geneeskunstige arbeid. Ik beschouw uw Fabrica als een van de belangrijkste wetenschappelijke werken van deze eeuw en ik laat niet na er elke avond enkele bladzijden in te lezen.’
Ik buig. ‘Ik hoop dat het boek u bevalt, monseigneur.’
‘Maar natuurlijk, meester, natuurlijk. De laatste botjes in neus en oren zal ik wel nooit achterhalen, maar uw, eh, meer algemene opmerkingen interesseren me zeer.’
‘Zoals?’

Hij neemt me apart en kijkt schichtig om zich heen. ‘De passage over de Leuvense theologen vond ik zeer geslaagd. De belachelijke manier waarop ze hebben geprobeerd u enig inzicht bij te brengen in de menselijke ziel is meesterlijk beschreven. Ik heb er hartelijk om moeten lachen. Weet u, ik lees uw boek vooral wanneer mijn dienaars al naar bed zijn, dan kan ik ongestoord van de lectuur genieten. Mochten ze me zo smakelijk horen lachen om uw af en toe wat, eh, oneerbiedige opmerkingen, dan zouden ze weleens op het idee kunnen komen de inquisitie in te schakelen.’
En weer volgt die grijns die me aan de lach van de duivel doet denken. Valdés is een meester in het creëren van verwarring. Er is een vreemde discrepantie tussen de woorden die uit zijn mond rollen en de gevoelens die in zijn ogen te lezen zijn. Want die ogen zijn grijs en koud. Mist over een bevroren meer.
Ik richt mijn hoofd op en zeg – dit keer zonder zijn blik te ontwijken: ‘Het doet me genoegen, meester, dat droog wetenschappelijk werk u zoveel vreugde bezorgt.’
Valdés knikt afwezig en zegt dan plotseling: ‘Er zijn er die uw Fabrica veel minder appreciëren, is het niet?’
‘Hebt u het over Sylvius?’
‘Uw eigen Parijse leermeester! Hij maakt u belachelijk.’
‘Sylvius behoort tot het verleden.’
‘Hij brandt u af, meester Vaesanus! Hij vernietigt u!’
Het noemen van de spotnaam die Sylvius voor mij gebruikte – en die zoveel betekent als dwazekloot – irriteert me mateloos. ‘Mijn naam is Vesalius, monseigneur, om u te dienen.’
Valdés staart me gebiologeerd aan, tien tellen lang, tot ik mijn blik neersla. En zodra hij die overwinning binnen heeft, wijst hij zichzelf hoofdschuddend terecht: ‘Zie, ik doe het weer! Mensen ongemakkelijk maken. Moge God me straffen. Ik verontschuldig me, meester Vesalius. Het was niet mijn bedoeling u in de war te brengen.’
‘Het is u vergeven, monseigneur’, zeg ik strak.
‘Nog één vraagje, voor ik u weer aan uw collega laat: waarom bent u weggelopen op de auto de fé van vanmiddag?’
Hij heeft het gezien! Hij of een van zijn familiares. Verdomd.

‘Ik was onwel.’
‘U-was-onwel’, herhaalt hij zorgvuldig en ik voel zelf hoe belachelijk dat klinkt. ‘Dat is merkwaardig, meester! Dokter Andreas Vesalius wordt onwel van enkele verbrande lichamen. Dezelfde man die met het grootste flegme mensen opensnijdt, lichamen verhaspelt, beenderen doorzaagt en schedels licht, wordt onwel van enkele ketters die de zwaarste straf hebben verdiend.’
‘Mijn eed als arts verbiedt me levende mensen te pijnigen, monseigneur, laat staan hen te doden.’
‘Fout, meester! U zit helemaal fout! Waarom opent u de aders van mensen met een zware ontsteking? Waarom zet u armen af van soldaten met koudvuur? Waarom snijdt u gezwellen weg en giet u kokende olie in oorlogswonden?’
‘Omdat ik het leven van mijn patiënten probeer te redden.’
Valdés laat een korte stilte vallen en zegt dan rustig: ‘Dat doe ik ook, meester. Alleen, ik probeer hen te redden voor het ééuwige leven.’