Joris Tulkens

Fragment: Wentelsteen

Bij het invallen van de duisternis begeven Aleander en Egmondanus zich met heel hun theologische aanhang naar de Grote Markt om er een ‘warm’ volksfeest te organiseren. De Leuvenaars stromen toe, de studenten theologie zingen liederen en doen een rondedans. Ik zie grote Klaas tussen zijn collega’s, maar hij danst niet mee en zijn gezicht staat op half zeven. Ook vele ingezetenen van De Lelie komen naar de Grote Markt, niet uit sympathie voor wat er te gebeuren staat, maar uit ongeloof dát het gebeurt. Erasmus is bij ons, Naevius, Jan Stercke, Vessem natuurlijk en Casteren. Verder ook Jan de Corte en Amerotus en heel wat studenten die in De Lelie met hun artes-studies bezig zijn.

Wanneer we op de Grote Markt aankomen, is het daar al bijzonder druk. We banen ons een weg door de menigte tot we bij een open ruimte komen, bewaakt door wachters van de schout. In het midden ligt een stapel boeken – ik schat een goede honderd – met daaronder enkele bussels stro. Het zal niet makkelijk zijn ze in brand te steken want het regent lichtjes en er staat geen wind. Honderd boeken, dat vind ik – de grote opwinding in acht genomen – nog meevallen. In Leuven zijn er wel tien grote en kleine drukkers aan het werk en er zijn dubbel zoveel boekwinkels en boekbinders. En ze zijn niet allemaal zo voorzichtig als onze Dirk.

Ik ga voorzichtig tot bij de stapel. Van enkele boeken ligt het titelblad open. Ik zie minstens drie exemplaren liggen van de 95 stellingen die Luther aan de kerkdeur heeft genageld en die de voorbije jaren her en der zijn uitgegeven. Ik herken ook zijn recente publicatie gericht aan De christelijke adel van de Duitse natie, waarin hij aan elke gelovige het priesterschap toekent. Het boek is pas in augustus verschenen en ligt nu al in de Leuvense winkels. Lág het, want vandaag worden alle exemplaren aan Vulcanus toevertrouwd.
In de kring die zich rond de stapel heeft gevormd, staan heel wat hoogwaardigheidsbekleders: kanunniken van de Sint-Pieterskerk, de rector, de kanselier en andere vooraanstaande officiarii van de universiteit. Naast hen een klad hovelingen. Verder stadsambtenaren die waarschijnlijk móeten komen, al was het maar om de keizer een goede indruk te geven van de Leuvense vroomheid. Wijzelf houden ons op de tweede en de derde rij schuil, omdat we het enthousiasme dat men van de toeschouwers verwacht, waarschijnlijk niet kunnen opbrengen.
Na een goed halfuur doet onze jonge vorst zijn intrede, gevolgd door de ernstig kijkende edelen van het hof. Karel is niet alleen jong, hij is ook nog klein en zijn kin steekt inderdaad zo ver vooruit dat zijn onderste tanden vóór de bovenste staan. ‘Het regent binnen,’ zegt een grapjas naast me en ik moet mijn lach inhouden. Van koningen en keizers verwacht men dat ze indrukwekkend zijn of tenminste goed voor de dag komen, maar dat kan van onze Karel niet worden gezegd. Hij moet het hebben van zijn kleurige uitdos, van het stukje vossenbont rond zijn nek, van zijn hoed met pluim en van zijn dure leren laarzen. Voor de rest ontleent hij zijn aanzien aan de kruiperigheid waarmee de hovelingen hem omringen. Zijn persoonlijke dienaars reiken zijn zakdoek aan, ze halen een spatje modder van zijn laars, ze maken de veelkleurige pluim los in de hoop dat ze uitbundig in de schaarse wind waait.

Na een goedkeurende knik van Karel volgt er een trompetstoot. Het geroezemoes valt stil en Aleander geeft voorlezing van het nieuwe edict. Dat duurt bijna een uur en we prijzen onszelf gelukkig dat het niet meer regent. Na de lezing bidt Aleander een Onze Vader en vervolgens knikt hij in de richting van een student die een tondel bij het stro houdt. Maar het stro is nog nat en het vuur gaat telkens weer uit: God wil voorlopig niet dat Luther verbrand wordt. Hier en daar klinkt al gelach. Maar na een rokerig begin schiet de vlam plots in de bussels en even later verspreidt de geur van verbrand leer en papier zich over de Leuvense markt. Leedvermaak bij de theologen die Erasmus onder de toeschouwers hebben gezien en weten hoe zwaar de nederlaag moet aankomen. Triomf bij Aleander die zijn vroegere vriend geen blik gunt. Lijkbleek incasseert Erasmus de vernedering. We moeten bijna huilen als er ook Leuvenaars naar voren komen om hun eigen ‘ketterse lectuur’ in de vlammen te gooien. De eerste die het doet krijgt een applausje van Karel, maar na de vijfde Leuvenaar wordt die inspanning hem te zwaar. Wanneer het vuur op zijn hoogtepunt is, maakt Egmondanus zich onsterfelijk door zijn eerbiedwaardige rokken op te tillen en ongegeneerd in de vlammenzee te urineren. Vorst Karel klapt alweer verheugd in zijn handen, maar zodra ‘de kameel’ is uitgepiest, houdt ook onze toekomstige keizer het voor bekeken. Hij slaat een kruis en vertrekt naar zijn zoveelste schranspartij.

Wanneer ook de theologen hun aftocht voorbereiden, sist Erasmus halfluid tussen zijn tanden: ‘Voor elk verbrand boek staan twee nieuwe ketters op,’ – tenminste, die uitspraak menen sommigen uit zijn mond gehoord te hebben. Ikzelf, die naast hem stond, heb dat niet gehoord. Het enige wat over zijn lippen kwam, was een welgemeend ‘Spurcissimi!’, een superlatief die ik het best kan vertalen als ‘driedubbele schoften’.
Als geslagen honden keren we terug naar De Lelie, waar we de hele avond zwijgend en zuchtend in de refter blijven hangen. Erasmus, die geregeld een vat Bourgogne uit Frankrijk laat komen, geeft de dienaars de opdracht iedereen bij wijze van troost een glas wijn in te schenken. Mijn glas blijft de hele avond onaangeroerd.

Een week na de feiten doet in Leuven het gerucht de ronde dat ‘een Duitse student’ – niemand kent hem – Egmondanus naar zijn klooster is gevolgd om hem in een donker straatje een flinke aframmeling te geven. Of dat waar is? Geen idee, maar de volgende weken is de ‘kameel’ inderdaad een tijdje uit circulatie. Anderzijds is zo’n aframmeling precies wat we graag willen horen en dus is het hele verhaal waarschijnlijk verzonnen.
Hoe dan ook, die boekverbranding, de eerste in de Lage Landen, wordt het begin van een ketterjacht die de komende jaren ongehoorde proporties zal aannemen. Wantrouwen, haat en onverdraagzaamheid schieten wortel in de Brabantse bodem en genereren een christelijk geloof dat de liefde afzweert, de angst in het vaandel voert en onnoemelijk veel menselijk leed veroorzaakt. Want uiteraard blijft het niet bij het vernietigen van wat gedrukt papier: na de boeken komen de schrijvers zelf aan de beurt.